Centrale Raad van Beroep, 14-01-2015 / 13-5490 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:26

Inhoudsindicatie
Zorgindicatie. Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de achtergrond dat voor de jeugdhulp met ingang van 1 januari 2015 de nieuwe Jeugdwet geldt, volgens welke wet de colleges van burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering, valt niet in te zien welk belang Stichting Bureau Jeugdzorg heeft bij een uitspraak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-14
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
13-5490 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/5490 AWBZ

Datum uitspraak: 14 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

30 augustus 2013, C/07/205939/ FA RK 13/50 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel (appellante)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft N.R.H. Boasman-Trustfull een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2014. Voor appellante zijn

H. Versluis en mr. I.D. Gadella verschenen. Voor betrokkene zijn verschenen zijn wettelijk vertegenwoordigers [naam vader] (vader) en [naam moeder] (moeder) alsmede

mr. K.C.M. van den Hoek en dr. C.B. van Ommeren.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

De ouders van betrokkene (geboren [in] 1999) hebben op 4 juni 2012 aan appellante gevraagd om verlening en uitbreiding van een eerdere indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Appellante heeft in een besluit van

19 juli 2012 onder meer Begeleiding Groep (BG) geïndiceerd in een omvang van 9 dagdelen per week (klasse 9), zonder vervoer, voor de periode van 9 juli 2012 tot 8 januari 2013.

1.2.

Namens betrokkene is tegen dat besluit bezwaar gemaakt omdat hij het er niet mee eens was dat er geen vervoer was geïndiceerd en dat de geïndiceerde periode maar een half jaar was. Appellante heeft in een besluit van 3 december 2012 het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het vervoer. Voor het overige heeft appellante het bezwaar ongegrond verklaard. In het besluit heeft appellante verder aan de ouders meegedeeld dat zij een verzoek om vrijstelling voor inschrijving van school van betrokkene moeten indienen om ook vanaf 8 januari 2013 in aanmerking te kunnen komen voor BG, klasse 9. Namens betrokkene is tegen dat besluit beroep ingediend.

1.3.

Betrokkene is met ingang van 8 januari 2013 vrijgesteld van inschrijving van school.

1.4.

Appellante heeft in een besluit van 28 mei 2013 betrokkene geïndiceerd voor BG,

klasse 9, zonder vervoer, voor de periode van 8 januari 2013 tot 7 januari 2014.


2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene mede gericht geacht tegen het besluit van

28 mei 2013. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van

3 december 2012 vernietigd voor zover daarin de indicatie is beperkt tot een half jaar en het besluit van 28 mei 2013 vernietigd. Verder heeft de rechtbank bepaald dat betrokkene voor de periode van 9 juli 2012 tot 7 januari 2014 is geïndiceerd voor BG, klasse 9, zonder de voorwaarde dat hij is uitgeschreven van school. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen. Voor betrokkene was het vanaf 1 januari 2012 niet meer mogelijk om naar school te gaan. Er is toen gekozen voor onderwijs op de zorgboerderij waar betrokkene al langer kwam. Op de zorgboerderij werd opvang in combinatie met basaal onderwijs geboden. Het onderwijs werd geboden door een pabo-docente die in dienst was van de zorgboerderij. De school stuurde dat onderwijs aan en leverde het materiaal. Het doel was dat betrokkene zou terugkeren naar school. Onder deze omstandigheden was de rechtbank van oordeel dat artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) zich niet verzet tegen indicatie van BG ter vervanging van onderwijs. Voor het standpunt van appellante dat uitschrijving van school een voorwaarde is voor het indiceren van BG, heeft de rechtbank geen steun kunnen vinden in de wet, de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2012 en/of de Richtlijn afbakening en reikwijdte AWBZ-zorg en onderwijs. Appellante moet beoordelen of een betrokkene is aangewezen op BG, ook als hij niet van leerplicht is ontheven. Appellante is volgens de rechtbank uitgegaan van een onjuiste, te beperkte wetsuitleg.

3. Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat betrokkene inmiddels weer onderwijs op school volgt en dat combineert met opvang op de zorgboerderij. De bedoeling is dat het onderwijs in stappen wordt uitgebreid. Appellante heeft tot september 2015 een indicatie gegeven aan betrokkene, onder meer voor BG, over welke indicatie tussen partijen geen geschil is. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante op de zitting uitgelegd dat het belang bij het hoger beroep hierin is gelegen, dat appellante een principiële uitspraak wil om duidelijkheid te krijgen. Deze duidelijkheid betreft de vraag of appellante een juist besluit heeft genomen door aan betrokkene als voorwaarde te stellen dat hij zich zou uitschrijven van school. Het was namelijk zo, dat de school voor betrokkene een volledige financiering heeft gekregen, en dat vindt appellante niet stroken met een financiering vanuit de AWBZ voor negen dagdelen BG.

4.2.

Tegen de achtergrond dat voor de jeugdhulp met ingang van 1 januari 2015 de nieuwe Jeugdwet geldt, volgens welke wet de colleges van burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering, valt niet in te zien welk belang appellante heeft bij een uitspraak. De stelling van appellante dat ook onder de nieuwe wetgeving soortgelijke problematiek als de onderhavige kan spelen, zodat een uitspraak van de Raad ook betekenis kan hebben voor de situatie na 1 januari 2015, heeft zij niet nader onderbouwd. Het voert de Raad zonder deze nadere onderbouwing te ver om de wetgeving voor en na 1 januari 2015 te vergelijken om te beoordelen of deze stelling van appellante hout snijdt.

4.3.

Het hoger beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.4.

Er is aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten die betrokkene voor het voeren van verweer in hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op

€ 974,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.


4.5.

Gelet op het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast dat van appellante een griffierecht van € 478,- wordt geheven.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • - veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-;
  • - bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 478,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.J. Schaap en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) J.R. van Ravenstein




MK