Centrale Raad van Beroep, 02-02-2015 / 13-2213 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:263

Inhoudsindicatie
Beëindiging WGA-uitkering en toekenning WGA-vervolguitkering. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit gebaseerd is op een voldoende draagkrachtige onderbouwing. Appellante is daarbij niet beperkt geacht op het beoordelingspunt tillen of dragen. Cramer onderschrijft niet het argument van de internist dat appellante volledig arbeidsongeschikt verklaard moet worden in afwachting van onderzoek, op grond van de overweging dat er medisch geen bezwaar is tegen re-integratieactiviteiten van appellante ook al lopen er nog onderzoeken. Juistheid FML.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-02
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
13-2213 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2213 WIA

Datum uitspraak: 2 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

14 maart 2013, 13/2663 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Deze zaak is gevoegd behandeld met het geding tussen partijen met kenmerk 14/3495 WIA. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Bouwman, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs. In de gevoegde zaak 14/3495 wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellantes recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 29 januari 2012 eindigt en dat zij vanaf die datum recht heeft op een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 16 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onvoldoende redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door de verzekeringsartsen uitgevoerde medisch onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de medische rapporten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom, ondanks het ontbreken van duidelijkheid omtrent de exacte oorzaak van de rugklachten alsmede de pijn en uitval in de ledematen, bij de vaststelling van de belastbaarheid voldoende rekening is gehouden met die klachten. Deze arts heeft eveneens afdoende gemotiveerd waarom de hypertensie geen aanleiding is geweest voor het aannemen van verdergaande beperkingen. Appellante heeft haar stelling dat haar lichamelijke beperkingen zijn onderschat onvoldoende onderbouwd.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar gezondheidsklachten. Zij heeft in het bijzonder erop gewezen dat het Uwv onvoldoende aandacht heeft geschonken aan de gevolgen van de bij haar vastgestelde hernia en de hieruit voortvloeiende beperkingen. Gelet op de verschillende medische standpunten heeft appellante de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Verder heeft zij aangevoerd dat zij vanwege voornoemde klachten de geduide functies niet kan verrichten


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit gebaseerd is op een voldoende draagkrachtige onderbouwing. De rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep P.M. Cramer bevatten een deugdelijk gemotiveerde reactie op de gronden in bezwaar en beroep. Met inachtneming van de ontvangen informatie van de behandelend internist van 2 en 24 februari 2012 en de behandelend neuroloog van

7 februari 2012 heeft Cramer in bezwaar geconcludeerd dat appellante al sinds jaren bekend is met intermitterende porfyrie die in aanvallen klachten kan veroorzaken. De klachten bestaan al lang en appellante heeft er ook mee gewerkt. Daarnaast zijn er restklachten van een doorgemaakte Hernia Nuclei Pulposi (HNP), maar uit de brief van de behandelend neuroloog blijkt dat er geen objectiveerbare neurologische afwijkingen meer zijn. Cramer leidt hieruit af dat er geen sprake is van radiculaire prikkeling. Verder zijn er geen objectiveerbare afwijkingen of beperkingen gevonden. Appellante is in verband met de doorgemaakte HNP weliswaar beperkt voor zwaar rugbelastend werk, maar die beperking was reeds in de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen. Appellante is daarbij niet beperkt geacht op het beoordelingspunt tillen of dragen. Cramer onderschrijft niet het argument van de internist dat appellante volledig arbeidsongeschikt verklaard moet worden in afwachting van onderzoek, op grond van de overweging dat er medisch geen bezwaar is tegen re-integratieactiviteiten van appellante ook al lopen er nog onderzoeken. Naar aanleiding van de ontvangen brieven van 5 april 2012 en 19 oktober 2012 van de behandelend anesthesioloog heeft Cramer in zijn rapport van 24 oktober 2012 nog uiteengezet dat er gelet op de bevindingen in deze brieven er geen duidelijke nieuwe inzichten zijn. Ook de brief van 19 oktober 2012 wijst er volgens Cramer op dat er geen radiculaire prikkeling is. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische stukken ingebracht die doen twijfelen aan de conclusies van Cramer of aanleiding geven haar op

29 januari 2012 meer of zwaarder beperkt te achten dan in de FML is vastgelegd. Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is voor het benoemen van een deskundige, zoals door appellante is verzocht.


4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank, gelet op de door de arbeidskundigen gegeven motivering, de geduide functies in medisch opzicht terecht passend geacht. Bij de functie archiefmedewerker is weliswaar sprake van ‘tillen tijdens acht werkuren driemaal ongeveer 20 kg achtereen’, maar de arbeidsdeskundigen hebben voldoende toegelicht dat appellante hiertoe in staat is. Appellante is niet beperkt geacht op het beoordelingspunt tillen of dragen, zodat zij overeenkomstig de normaalwaarde van het CBBS belastbaar is om 15 kilogram te tillen en incidenteel 25 kilogram. Uit overleg met de arbeidskundig analist volgt bovendien dat het in deze functie mogelijk is om het gewicht te verdelen in bijvoorbeeld 10 tot 15 kilogram. In navolging van het Uwv onderschrijft de Raad de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat gelet op de toegestane belastbaarheid op het aspect tillen deze tilbelasting voor wat betreft de mate en de frequentie acceptabel wordt geacht.


4.3.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2015.




(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) V. van Rij




QH