Centrale Raad van Beroep, 02-02-2015 / 14-3495 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:266

Inhoudsindicatie
WGA-vervolguitkering onveranderd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De vele in dit geding beschikbare medische gegevens bieden geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding, 1 juni 2012, op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten tot meer beperkingen moet leiden dan haar gezondheidstoestand op 29 januari 2012. Geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-02
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
14-3495 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3495 WIA

Datum uitspraak: 2 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

12 mei 2014, 13/807 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Het geding is gevoegd behandeld met het geding tussen partijen met kenmerk 13/2213 WIA. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Bouwman, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs. In de gevoegde zaak 13/2213 WIA wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad allereerst naar de uitspraak in het geding 13/2213 WIA. Bij uitspraak van heden in die zaak is de beslissing van het Uwv dat appellante met ingang van 29 januari 2012 recht heeft op een

WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% in stand gelaten.


1.2.

Naar aanleiding van de melding van appellante in juni 2012 dat haar arbeidsongeschiktheid vanwege gebruik van pijnmedicatie is toegenomen, heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van

19 oktober 2012 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op grond van de Wet WIA met ingang van 1 juni 2012 bepaald op 47,91%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat na medische en arbeidskundige heroverweging het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd in 49,93. Aan die wijziging ligt ten grondslag dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op 20 december 2012 is aangepast vanwege het medicijngebruik en dat één van de geduide functies is komen te vervallen. Het Uwv heeft de door appellante gevraagde vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen, omdat de WGA-vervolguitkering onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd - kort samengevat - dat het Uwv bij het opstellen van de FML onvoldoende rekening heeft gehouden met haar gezondheidsklachten. In het bijzonder heeft zij erop gewezen dat haar pijnklachten ten gevolge van een hernia tot verdergaande beperkingen moeten leiden. Met deze gezondheidsklachten acht zij zich niet in staat de geduide functies te vervullen. Voorts heeft appellante bij brief van 20 november 2014 met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3495, aangevoerd dat het Uwv ten onrechte de door haar in bezwaar gemaakte kosten niet heeft vergoed.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit terecht geoordeeld dat het Uwv de voor appellante geldende beperkingen van de mogelijkheden om arbeid te verrichten op 1 juni 2012, neergelegd in de FML van

20 december 2012, zorgvuldig en juist heeft beoordeeld. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden en deze gronden zijn door de rechtbank afdoende gemotiveerd in haar overwegingen in de aangevallen uitspraak besproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep P.M. Cramer heeft in bezwaar na bestudering van onder meer de brieven van de behandelende artsen geconcludeerd dat er geen sprake is van een duidelijke radiculaire prikkeling. Uit het onderzoek blijkt dat de functie van de rug zelf goed is. Het zijn de pijnklachten die appellante hinderen in haar functioneren, waarbij de precieze oorzaak niet duidelijk is. Hierdoor is zij beperkt voor zwaar rugbelastend werk, maar dit was reeds aangegeven in de FML. Nu er verder geen aanwijzingen zijn dat het functioneren van appellante verslechterd is behoudens vanwege het medicijngebruik, ziet Cramer geen reden om overigens meer beperkingen aan te nemen dan bij de vorige beoordeling per 29 januari 2012.


4.2.

De in beroep overgelegde medische gegevens, in het bijzonder de brief van de neuroloog Van Fürth van 9 oktober 2013, hebben hem geen reden gegeven voor een andere conclusie. Volgens Cramer is op de datum in geding (1 juni 2012) geen sprake van een acuut en duidelijk herniabeeld in klinische zin. De nieuwe medische ontwikkelingen in 2013 hebben plaatsgevonden na de datum in geding en vormen voor hem geen aanleiding om op medische gronden een ander standpunt in te nemen. Met de rechtbank volgt de Raad de inzichtelijk gemotiveerde conclusies van Cramer, zoals onder meer verwoord in zijn rapport van

6 december 2013. Ook in hoger beroep heeft appellante niet met medische stukken onderbouwd waarom de beoordeling door Cramer niet juist zou zijn. De omstandigheid dat het Uwv de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 juni 2013 heeft vastgesteld op 80 tot 100% leidt niet tot een ander oordeel. De vele in dit geding beschikbare medische gegevens bieden geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding, 1 juni 2012, op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten tot meer beperkingen moet leiden dan haar gezondheidstoestand op 29 januari 2012.


4.3.

Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met de arbeidskundige rapporten in dit geding voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. De verdiensten in deze functies resulteren in een verlies aan verdiencapaciteit van 49%. Het Uwv heeft dan ook terecht het recht van appellante op een WGA-vervolguitkering met ingang van 1 juni 2012 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


4.4.

Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten in bezwaar oordeelt de Raad met verwijzing naar zijn in 3.1 genoemde uitspraak van 29 oktober 2014 als volgt. In de bezwaarfase is de resterende verdiencapaciteit gewijzigd in € 1.786,22 per maand en het arbeidsongeschiktheidspercentage in 49,93. Omdat de resterende verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, heeft de wijziging van de resterende verdiencapaciteit ook een wijziging van de rechtspositie tot gevolg. Dit betekent dat er sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het Uwv heeft echter ten onrechte het bezwaar van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en ten onrechte geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep moet alsnog gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij het primaire besluit niet is herroepen en vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen.


5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 1.225,- in beroep en € 980,- in hoger beroep.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 februari 2013;
  • - herroept het besluit van 19 oktober 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 18 februari 2013;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten tot een bedrag van € 3.185,-;

bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2015.