Centrale Raad van Beroep, 31-07-2015 / 13/4155 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2669

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Anders dan de rechtbank, komt de Raad tot het oordeel dat de medische en arbeidskundige beoordelingen die aan het bestreden besluit en de daaraan voorafgegane beslissing van 10 april 2012 ten grondslag liggen, wel degelijk betrekking hebben op de datum van 1 december 2011 en de datum van vier weken daarna, 29 december 2011. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-31
Publicatiedatum
2015-08-10
Zaaknummer
13/4155 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 juli 2013, 12/8794 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is wegens psychische en lichamelijke klachten op 5 januari 1993 uitgevallen voor haar werk gedurende 38 uren per week als lerares (groepsleerkracht) in het basisonderwijs. In verband daarmee ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die met ingang van 19 april 2010 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.


1.2.

Bij brief van 6 december 2011 heeft betrokkene een melding gedaan van verslechtering van haar gezondheid sinds 1 december 2011. Na onderzoek heeft een verzekeringsarts van appellant de belastbaarheid van betrokkene neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 februari 2012. De arbeidsdeskundige heeft op 4 april 2012 de uitkomsten van zijn onderzoek gerapporteerd. Bij besluit van 10 april 2012 heeft appellant vastgesteld dat de WAO-uitkering van betrokkene vanaf 5 juni 2012 wordt verlaagd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt.


1.3.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van appellant de conclusies van de verzekeringsarts grotendeels onderschreven. Er is een nieuwe FML opgemaakt op 6 juli 2012, waarin enkele aanvullende beperkingen zijn opgenomen met betrekking tot reiken en bij betrokkene bestaande allergieën. Met inachtneming van die beperkingen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid met toepassing van het per december 2011 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium bepaald op 45 tot 55%. Bij besluit van 2 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.


2. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. Volgens betrokkene is er in haar geval sprake geweest van twee beoordelingsdata, te weten 1 december 2011 (de datum van de gestelde toename van haar arbeidsongeschiktheid) en 5 juni 2011 (de datum met ingang waarvan appellant haar WAO-uitkering heeft herzien). Betrokkene heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zij op 1 december en 4 vier weken daarna 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geworden, dan wel met ingang van een latere datum, waarbij zij meer in het bijzonder heeft aangeknoopt bij de datum 5 juni 2012. Zij heeft naar voren gebracht dat zij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, althans dat haar beperkingen door appellant zijn onderschat en dat ten onrechte geen aanzienlijke urenbeperking is aangenomen. Ook is aangevoerd dat appellant niet of onvoldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt, dat het maatmanloon te laag is vastgesteld en dat het niet geoorloofd is naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid de uitkering te verlagen (verbod van 'reformatio in peius').

3.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de beperkingen van betrokkene per 5 juni 2012 door appellant op zorgvuldige wijze in kaart zijn gebracht en dat afdoende is gemotiveerd waarom er geen medische gronden bestaan voor een urenbeperking. De medische informatie die betrokkene in het geding heeft gebracht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Van een schending van het verbod van reformatio in peius is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat de herziening van de uitkering niet het gevolg is van het maken van bezwaar maar van het verzoek van betrokkene om een herbeoordeling wegens gestelde toename van de klachten. Ook heeft de rechtbank de herziening ten nadele van betrokkene niet in strijd geacht met de wet of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Uitgaande van de juistheid van de door appellant vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank de geselecteerde functies voor betrokkene geschikt geacht. Ook de mate van arbeidsongeschiktheid is naar het oordeel van de rechtbank op juiste wijze berekend.


3.2.

De rechtbank heeft het standpunt van betrokkene dat het bestreden besluit geen beoordeling inhoudt van de door betrokkene gestelde toename van de arbeidsongeschiktheid op 1 december 2011 en op de peildatum vier weken daarna.


3.3.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts op 13 februari 2012 wel degelijk zag op de “claim toegenomen arbeidsongeschiktheid per 01-12-2011”. De op die datum vastgestelde FML is, zoals daarin is vermeld, geldig vanaf 1 december 2011. Gelet op het bepaalde in artikel 38 van de WAO is naast een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ook een arbeidskundig onderzoek ingesteld en zijn functies geduid. In het arbeidskundige onderzoek is het maatmanloon berekend naar de datum vier weken ná de claimdatum. Aldus is vastgesteld dat er op de datum, vier weken na de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid, sprake was van een afname van de mate van arbeidsongeschiktheid in plaats van de geclaimde toename. Omdat het onderzoek leidde tot de conclusie dat de uitkering moest worden herzien en verlaagd, was de effectuering alleen met ingang van een latere datum mogelijk. Om die reden is gekozen voor een verlaging van de uitkering met ingang van 5 juni 2012. Dit besluit is in bezwaar, waarbij tevens is onderzocht of zich tot aan het medische onderzoek in bezwaar nog wijzigingen hebben voorgedaan, volledig heroverwogen en gehandhaafd.


3.4.

Betrokkene heeft in hoger beroep verweer gevoerd en daartoe gesteld dat appellant afzonderlijke beoordelingen had moeten maken naar de data 29 december 2011 en 5 juni 2012. Dat ook een beoordeling per 29 december 2011 is gemaakt, blijkt niet uit het dossier. Van de aanleiding voor de claim, een auto-ongeval op 3 november 2011, wordt door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) geen melding gemaakt. Verzocht is de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Anders dan de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de medische en arbeidskundige beoordelingen die aan het bestreden besluit en de daaraan voorafgegane beslissing van 10 april 2012 ten grondslag liggen, wel degelijk betrekking hebben op de datum van 1 december 2011 en de datum van vier weken daarna, 29 december 2011. Dat blijkt naar het oordeel van de Raad voldoende uit de aanhef van het verzekeringsgeneeskundig rapport van 13 februari 2012 en de vermelding “geldig vanaf 1 december 2011” op de FML van 13 februari 2012, alsmede uit de inhoud van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig rapport. Dat daarin niet wordt gerept van het ongeval dat betrokkene op 3 november 2011 is overkomen en dat aanleiding is geweest voor de claim, doet daaraan naar het oordeel van de Raad niet af. Daarbij wijst hij erop dat blijkens het dossier voor het eerst door betrokkene van dat ongeval melding wordt gemaakt in de brief van 30 november 2012 van de gemachtigde van betrokkene aan de rechtbank, voorafgaand aan de behandeling ter zitting. In de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid noch in het bezwaarschrift wordt daarvan melding gemaakt, evenmin als tijdens de hoorzitting in bezwaar. Weliswaar had in de besluiten van 10 april 2012 (primaire beslissing) en 2 augustus 2012 (bestreden besluit) duidelijker melding kunnen worden gemaakt van de voor de beoordeling maatgevende datum, maar voor zover daarbij van een motiveringsgebrek kan worden gesproken heeft appellant dat gebrek naar het oordeel van de Raad hersteld bij het verweerschrift in beroep van 2 november 2012, waarin is gesteld: “De te beoordelen datum werd daarmee (vier weken na) 1 december 2011”, bij de behandeling ter zitting van de rechtbank op 11 december 2012 en bij de brief van 7 maart 2013 van appellant aan de rechtbank. Nu het door de rechtbank aangenomen gebrek zich niet voordoet, slaagt het hoger beroep en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd.


4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing wordt gevolgd. De daarvoor gegeven motivering, verkort aangehaald onder 3.1, maakt de Raad tot de zijne. In hoger beroep zijn geen gegevens ingebracht of argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden. Evenzo heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat van een verslechtering van de positie van betrokkene, enkel door het instellen van een rechtsmiddel, geen sprake is. De Raad acht evenals de rechtbank, de arbeidskundige grondslag voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% juist en voldoende gemotiveerd.


4.3.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2 augustus 2012 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) D. van Wijk




AP