Centrale Raad van Beroep, 13-01-2015 / 13-4348 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:27

Inhoudsindicatie
Weigering bijstand. Duurzaam gescheiden leven? In 2009 is de echtgenoot van appellante naar Costa Rica vertrokken met de bedoeling daar, na faillissement van zijn bedrijven in Nederland, een nieuw bedrijf te gaan opzetten. Er is sprake van een door de echtgenoot van appellante gewilde, bestendige verbreking van de echtelijke samenleving, zodat appellante op dat moment duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-13
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
13-4348 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4348 WWB

Datum uitspraak: 13 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

1 juli 2013, 13/234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Jonker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. W. Kort, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W. Kort. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante was ten tijde hier van belang gehuwd met [naam echtgenoot] (echtgenoot) met wie zij vier kinderen heeft. Appellante heeft zich op 8 mei 2012 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op het aanvraagformulier heeft zij toegelicht dat haar echtgenoot in 2009 naar het buitenland is vertrokken en dat zij sinds die tijd in feite alleenstaande ouder is. Sinds 2010 heeft zij geen inkomen meer gehad. Zij heeft geleefd van teruggaven van de Belastingdienst, leningen van familie en vrienden en van de verkoop van prive-eigendommen.


1.2.

Bij besluit van 27 juli 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 30 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 juli 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college primair ten grondslag gelegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Daarnaast heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden waardoor niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Zij heeft onvoldoende aangetoond waar zij de afgelopen jaren van heeft geleefd en of haar echtgenoot haar al dan niet heeft onderhouden.


1.4.

Het college heeft appellante bij besluit van 28 januari 2013 met ingang van 23 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat uit alle feiten en omstandigheden blijkt dat ten tijde van de aanvraag sprake was van een situatie waarin zij duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Daarnaast verkeerde zij in bijstandbehoevende omstandigheden. Sinds april 2010 heeft zij geen enkele financiële bijdrage meer van haar echtgenoot ontvangen. Zij heeft geleefd van de verkoop van bezittingen en heeft geld geleend van familie en vrienden. Ook de hypotheek heeft zij sindsdien niet meer kunnen betalen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat appellante ten tijde van de aanvraag om bijstand gehuwd was en dat haar echtgenoot sinds 2009 niet langer in Nederland verbleef.


4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.


4.3.

Het standpunt van het college dat ten tijde van de aanvraag geen sprake was van duurzaam gescheiden leven van appellante en haar echtgenoot wordt niet onderschreven. Uit de feiten blijkt dat van een echtelijke samenleving sinds 2009 geen sprake meer was. In dat jaar is de echtgenoot van appellante naar Costa Rica vertrokken met de bedoeling daar, na faillissement van zijn bedrijven in Nederland, een nieuw bedrijf te gaan opzetten. Uit de kopie van het paspoort van appellante blijkt dat zij voor het laatst in februari 2010 in Costa Rica is geweest, naar zij heeft verklaard om haar echtgenoot daar te bezoeken. Op 27 april 2010 is de echtgenoot in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens uitgeschreven van het adres van appellante. In de loop van de tijd is hij naar Nicaragua vertrokken, appellante weet niet waar hij precies verblijft. Uit sporadisch contact via internet is inmiddels gebleken dat hij daar een nieuwe vrouw heeft ontmoet, met wie hij in januari 2013 een kind heeft gekregen. Gelet op alle feiten en omstandigheden was ten tijde van de aanvraag in ieder geval sprake van een door de echtgenoot van appellante gewilde, bestendige verbreking van de echtelijke samenleving, zodat appellante op dat moment duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Dat appellante niet voorafgaande aan maar eerst kort na de aanvraag om bijstand een echtscheidingsprocedure in gang heeft gezet, doet hieraan niet af.


4.4.

De rechtbank heeft met betrekking tot de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit overwogen dat appellante pas in beroep stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij in haar levensonderhoud voorziet door middel van lening en verkoop van bezittingen, maar is daaraan voorbijgegaan op de grond dat appellante dit in de periode in geding niet met verifieerbare stukken inzichtelijk heeft gemaakt. In hoger beroep heeft appellante daartegenover terecht aangevoerd dat dit in de aanvraagfase niet aan de orde was en dat pas in de beslissing op het bezwaar naar voren is gekomen dat niet duidelijk was geworden waarvan zij had geleefd en of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De in het besluit van 27 juli 2012 neergelegde afwijzing van de aanvraag om bijstand is uitsluitend gebaseerd op het standpunt van het college dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Pas in het bestreden besluit is daaraan toegevoegd dat het recht van appellante op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellante mocht daarom in beroep nog gegevens in het geding brengen die van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of zij in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.


4.5.

De rechtbank heeft het in 4.3 en 4.4 overwogene niet onderkend. De Raad zal de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit nader bezien. Het recht van appellante op bijstand dient te worden beoordeeld aan de hand van de thans voorhanden zijnde gegevens.


4.6.

Vaststaat dat aan appellante naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met ingang van

23 oktober 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is toegekend. Uit de rapportage die ten grondslag ligt aan de toekenning van bijstand met ingang van

23 oktober 2012 blijkt dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellante heeft bij de nieuwe aanvraag bankafschriften over een lange periode over het verleden ingeleverd, die ook zien op de in dit geding aan de orde zijnde periode. Daaruit is volgens de rapportage gebleken dat zij alle eindjes aan elkaar heeft geknoopt en waardevolle huisraad heeft moeten verkopen om in het levensonderhoud van haarzelf en haar kinderen te kunnen voorzien. Tevens is gebleken dat appellante al vanaf 2010 een achterstand heeft opgelopen bij de hypotheekbetalingen voor haar woning. Nu in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten zijn te vinden om aan te nemen dat appellante destijds een in aanmerking te nemen vermogen had of eigen inkomsten, moet worden geconcludeerd dat er ook overigens geen beletselen zijn voor toekenning van bijstand naar de toepasselijke norm. De weigering van de bijstand per 8 mei 2012 kan daarom evenmin worden gebaseerd op de grond dat het recht als gevolg van schending door appellante van haar inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld.


4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding het besluit van 27 juli 2012 te herroepen en te bepalen dat aan appellante met ingang van 8 mei 2012 bijstand naar de voor haar geldende norm wordt toegekend.


5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.948,- voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2012 gegrond en vernietigt dit

besluit;

- herroept het besluit van 27 juli 2012 en bepaalt dat aan appellante met ingang van

8 mei 2012 bijstand naar de voor haar geldende norm wordt toegekend;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 november 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.M. Overbeeke en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) C.M. van Fleuren



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.





HD