Centrale Raad van Beroep, 29-01-2015 / 14 - 380 AW-T


ECLI:NL:CRVB:2015:270

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Aanpassing maandelijkse levensloopuitkering. Terugvordering teveel betaalde levensloopuitkering. Invordering door verrekening met toekomstige termijnen van levensloopuitkering dan wel door betaling van een slottermijn. FLO-overgangsrecht. Appellant was niet bevoegd de levensloopuitkeringen op een lager bedrag vast te stellen dan het bedrag dat van Loyalis werd ontvangen met aftrek van de inhoudingen. Appellant was niet bevoegd de levensloopuitkering gedeeltelijk terug te vorderen van betrokkenen. Appellant heeft meer levensloopbijdrage overgemaakt naar de verzekeringen van betrokkenen dan waartoe zij gehouden was. Omdat de in zoverre onverschuldigd betaalde levensloopbijdragen in de vorm van hogere levensloopuitkeringen aan betrokkenen ten goede zijn gekomen, is appellant wel bevoegd een bedrag ter hoogte van de te veel betaalde levensloopbijdrage van betrokkenen terug te vorderen. Appellant heeft niet onderzocht welk bedrag aan levensloopbijdrage betaald had moeten worden om een tegoed van 210% van de bezoldiging te bereiken, welk bedrag daadwerkelijk is betaald en welk bedrag aan levensloopbijdrage te veel is afgedragen. Het had betrokkenen redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de gemeente te veel levensloopbijdrage had gestort. Gewekte verwachtingen dat niet zou worden teruggevorderd? De Raad draagt appellant op het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-29
Publicatiedatum
2015-02-05
Zaaknummer
14 - 380 AW-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/380 AW-T

Datum uitspraak: 29 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2013, 13/4827 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de zaken 14/353 AW e.v. en 14/372 AW e.v., plaatsgevonden op 27 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. van Arkel, mr. A.A.M. Elzakkers en J. Lut. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam bij de brandweer van de gemeente Den Haag (gemeente).


1.2.1.

In verband met de afschaffing van het functioneel leeftijdsontslag (FLO) is de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht vastgesteld. Het FLO-overgangsrecht, dat is op genomen in hoofdstuk 9e van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG), voorzag voor betrokkene in een periode van drie jaar onbezoldigd verlof voorafgaand aan het ouderdomspensioen. Tijdens deze periode bestond het inkomen uit een levensloopuitkering.


1.2.2.

Op grond van artikel 9e:8 van de ARG heeft de ambtenaar die onder het bereik van het FLO-overgangsrecht valt recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. De hoogte van de levensloopbijdrage wordt zodanig vastgesteld dat de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar bij het bereiken van de ingangsdatum van het onbezoldigd volledig verlof een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Voorwaarde voor deze garantie is dat de ambtenaar het

LOGA-pad volgt. Uit artikel 9e:2, tweede lid, aanhef en onder a, van de ARG blijkt dat het LOGA-pad onder meer inhoudt dat de ambtenaar deelneemt aan Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance. Het doel van het FLO-overgangsrecht is dat de ambtenaar tijdens het onbezoldigd verlof een inkomen uit levensloopuitkering ontvangt van 70% van zijn bezoldiging.


1.3.

Betrokkene heeft een verzekeringsovereenkomst gesloten bij Loyalis N.V. (Loyalis) waarop de Polisvoorwaarden Levensloop Brandweer van toepassing zijn. Dit is een levensloopverzekering als bedoeld in het per 1 januari 2012 vervallen artikel 5.4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Op grond van artikel 39d, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is deze bepaling ook na deze datum daarop van toepassing gebleven. Appellant heeft de levensloopbijdragen voor betrokkene naar Loyalis overgemaakt ten behoeve van deze levensloopverzekering. Op grond van het vierde lid van artikel 5.4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, dient de instelling waar de levensloopverzekering is ondergebracht, het levenslooploon over te maken naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof.


1.4.

Na het ingaan van het onbezoldigd verlof heeft Loyalis maandelijks de levensloopuitkering van betrokkene overgemaakt naar de gemeente die aanvankelijk deze uitkering, verminderd met de inhoudingen, heeft betaald aan betrokkene.


1.5.

In 2012 heeft appellant ontdekt dat de maandelijkse levensloopuitkering van betrokkene meer bedroeg dan 70% van zijn bezoldiging. Omdat de gemeente abusievelijk te veel levensloopbijdrage had overgemaakt, was meer tegoed opgebouwd dan 210% van de bezoldiging. Na eerst een voornemen te hebben uitgebracht, heeft appellant bij besluit van

11 oktober 2012 (primaire besluit) betrokkene meegedeeld dat appellant de levensloopuitkering vanaf 1 januari 2012 naar het juiste bedrag per maand zal aanpassen, dit gecorrigeerde bedrag met ingang van oktober 2012 zal uitkeren en het te veel betaalde bedrag vanaf 1 januari 2012 zal terugvorderen. Het onverschuldigd betaalde bedrag zal worden ingevorderd door verrekening met toekomstige termijnen van levensloopuitkering.


1.6.

Bij besluit van 1 mei 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2012 gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Appellant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat betrokkene wist dan wel kon weten dat hij maandelijks te veel aan levensloopuitkering ontving, aangezien hij ervan op de hoogte was dat hij op grond van hoofdstuk 9e van de ARG recht had op een levensloopuitkering ter hoogte van 70% van zijn bezoldiging, maar hij veel meer dan dat ontving.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, indien ten onrechte te hoge werkgeversbijdragen zijn betaald, de werkgever het onverschuldigd betaalde kan terugvorderen, mits aan de daartoe geldende wettelijke bepalingen is voldaan. Appellant heeft echter niet de werkgeversbijdragen, maar (een deel van) de levensloopuitkeringen teruggevorderd. Daartoe was appellant niet bevoegd, aangezien appellant geen beschikkingsmacht heeft over het met de inleg, mede door rendementen, gekweekte levenslooptegoed. Appellant was slechts gerechtigd om de wettelijke inhoudingen op het levenslooptegoed toe te passen. Omdat de motivering van het primaire besluit op eenzelfde niet houdbare grond berust, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.


3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak op hierna te bespreken gronden bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij bevoegd was de te veel betaalde levensloopuitkering terug te vorderen, omdat de levensloopregeling zijn grondslag vindt in de ARG. Daarbij is niet relevant of appellant de beschikkingsmacht over de onverschuldigd betaalde bedragen heeft. Appellant meent verder dat hij bevoegd was de rendementen op de te veel betaalde werkgeversbijdrage terug te vorderen, omdat de rendementen niet kunnen leiden tot een hoger tegoed voor de ambtenaar, maar alleen tot een lagere levensloopbijdrage voor de werkgever.


4.2.

Op grond van artikel 9e:8 van de ARG had betrokkene recht op een levensloopbijdrage van de gemeente tot een zodanig niveau dat een tegoed overeenkomend met 210% van de bezoldiging werd opgebouwd. De ARG bevat geen bepalingen over de betaling van de levensloopuitkering. De levensloopuitkering is een uitkering uit een verzekeringsovereenkomst tussen betrokkene en Loyalis waarbij de gemeente geen partij is. De ARG, de Polisvoorwaarden Levensloop Brandweer, noch enige andere wettelijke bepaling geeft appellant de bevoegdheid de hoogte van de levensloopuitkering vast te stellen. Op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 was de gemeente uitsluitend gehouden op de van Loyalis ontvangen levensloopuitkeringen inhoudingen in mindering te brengen. Dat betekent dat appellant niet bevoegd was de levensloopuitkeringen vanaf 1 januari 2012 op een lager bedrag vast te stellen dan het bedrag dat van Loyalis werd ontvangen met aftrek van de inhoudingen. Appellant was daarom ook niet bevoegd de betaalde levensloopuitkering gedeeltelijk terug te vorderen van betrokkene. De beroepsgrond slaagt niet.


4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat hij met de terugvordering van het onverschuldigd betaalde deel van de levensloopuitkering ook de onverschuldigd betaalde levensloopbijdrage heeft teruggevorderd. De onverschuldigd betaalde levensloopuitkeringen zijn namelijk het gevolg van de door appellant betaalde te hoge levensloopbijdrage.


4.4.

Niet in geschil is dat de gemeente meer levensloopbijdrage heeft overgemaakt naar de verzekeringen van betrokkene dan waartoe hij op grond van artikel 9e:8 van de ARG gehouden was. Omdat de in zoverre onverschuldigd betaalde levensloopbijdrage in de vorm van een hogere levensloopuitkering aan betrokkene ten goede is gekomen, is appellant wel bevoegd een bedrag ter hoogte van de te veel betaalde levensloopbijdrage van betrokkene terug te vorderen. Appellant heeft echter het terug te vorderen bedrag gebaseerd op de beweerde onverschuldigd betaalde levensloopuitkering. Ter zitting is gebleken dat appellant ook niet heeft onderzocht welk bedrag aan levensloopbijdrage betaald had moeten worden om een tegoed van 210% van de bezoldiging te bereiken, welk bedrag daadwerkelijk is betaald en welk bedrag aan levensloopbijdrage te veel is afgedragen. In zoverre slaagt de beroepsgrond dan ook niet. De rechtbank had appellant echter wel in de gelegenheid moeten stellen dit gebrek in de besluitvorming te herstellen. De rechtbank heeft ten onrechte zelf voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.


4.5.

Het hoger beroep slaagt. De Raad zal daarom alsnog de door de rechtbank niet besproken beroepsgronden van betrokkene beoordelen.


4.6.

Betrokkene heeft aangevoerd dat hem niet redelijkerwijs duidelijk was dat hij te veel levensloopuitkering ontving. Hij heeft daarbij gewezen op brieven die hij van de gemeente heeft ontvangen en op telefoongesprekken die zijn gevoerd met W, een medewerker van de gemeente. Betrokkene heeft bij W geïnformeerd naar de juistheid van zijn levensloopuitkering. W heeft bevestigd dat de uitkeringen juist waren.


4.7.

Het doel van het FLO-overgangsrecht was dat betrokkene tijdens de periode van onbetaald verlof een inkomen zou hebben van 70% van zijn bezoldiging. Dit was bij hem bekend. Voor het ingaan van de levensloopuitkering heeft betrokkene een brief van de gemeente ontvangen waarin hem een indicatie is gegeven van het maandelijkse bedrag aan levensloopuitkering. De levensloopuitkering die betrokkene ontving week daar aanzienlijk van af. Dit is aanleiding geweest te bellen met W en te informeren naar de juistheid van de uitbetaling. Uit het voorgaande blijkt dat betrokkene wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij meer levensloopuitkering ontving dan volgens het FLO-overgangsrecht de bedoeling was. Aangezien de levensloopuitkering was opgebouwd met levensloopbijdrage van de gemeente, had hem eveneens redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de gemeente te veel levensloopbijdrage had gestort. De mededeling van W dat de levensloopuitkering die betrokkene van de gemeente ontving juist was, was overigens correct. Omdat de gemeente gehouden was de van Loyalis ontvangen levensloopuitkering na aftrek van inhoudingen aan betrokkene uit te betalen, diende de gemeente de levensloopuitkering, ook als deze meer dan 70% van de bezoldiging bedroeg, immers volledig aan betrokkene uit te betalen.


4.8.

Betrokkene heeft verder een beroep gedaan op de zogenaamde

zes-maandenjurisprudentie van de Raad. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat in de telefoongesprekken met W een signaal is afgegeven dat te veel werd betaald, terwijl appellant niet binnen zes maanden daarop heeft gereageerd.


4.9.

Het beroep op de zes-maandenjurisprudentie faalt omdat, zoals uit 4.2 volgt, appellant niet onverschuldigd heeft betaald bij de uitbetaling van de levensloopuitkering aan betrokkene, maar door de overmaking van een te hoog bedrag aan levensloopbijdrage naar zijn levensloopverzekering. Op het moment dat betrokkene bij W informeerde naar de hoogte van zijn levensloopuitkering was de betaling van de levensloopbijdrage al beëindigd en kon appellant de omvang van de terugvordering niet meer beperken.


4.10.

De beroepsgronden van betrokkene tegen het bestreden besluit slagen niet. Tegen de wijze van invordering van het onverschuldigd betaalde bedrag heeft betrokkene geen beroepsgronden naar voren gebracht.


5. De Raad ziet aanleiding om, mede met het oog op een definitieve beslechting van het geschil, met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht appellant op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij dient appellant de hoogte van het terug te vorderen bedrag te baseren op het verschil tussen de levensloopbijdrage die appellant op grond van artikel 9e:8 van de ARG had moeten storten en de bijdrage die appellant daadwerkelijk aan Loyalis heeft betaald. Appellant dient daarbij tevens te betrekken dat betrokkene is meegedeeld dat niet tot terugvordering van de over 2011 te veel ontvangen levensloopuitkering zal worden overgegaan. De Raad acht het daarnaast aangewezen dat appellant zich uitlaat over de eventuele gevolgen van het nieuwe besluit voor de wijze van invordering van het onverschuldigd betaalde bedrag.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad onder 5 heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD