Centrale Raad van Beroep, 03-02-2015 / 13 - 3543 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:272

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant het college met betrekking tot de duur en de frequentie van zijn aanwezigheid in de woning van [C.D.] onjuist heeft geïnformeerd. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-03
Publicatiedatum
2015-02-05
Zaaknummer
13 - 3543 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3543 WWB

Datum uitspraak: 3 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 mei 2013, 12/4268 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Dienst Werk en Inkomen Lekstroom te Nieuwegein (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur sinds

1 mei 2013 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit, die voordien werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein. In deze uitspraak wordt onder dagelijks bestuur mede verstaan het college.

Namens appellant heeft mr. G.A. Speelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Schoonderbeek, advocaat, als waarnemer voor

mr. Speelman. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.G. Berkenbosch. Als getuigen zijn gehoord [A.B.], wonende te [woonplaats 1], moeder van appellant, en [C.D.], wonende te [woonplaats 2], moeder van de kinderen van appellant.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 19 april 2004 bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande. Sinds die datum staat appellant ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans: Basisregistratie Personen, (BRP) aan het [adres 1] te [woonplaats 1] (uitkeringsadres), bij zijn moeder. Appellant heeft tezamen met [C.D.] ([C.D.]) drie kinderen, geboren op respectievelijk [in] 2004, [in] 2007 en [in] 2010. [C.D.] woont sinds 14 juli 2005 met de kinderen op het [adres 2] te [woonplaats 2] en staat sindsdien op dat adres ingeschreven in de BRP.


1.2.

Naar aanleiding van een melding van een medewerker van het Klant Contact Centrum van de gemeente [woonplaats 1] dat sinds december 2010 op het uitkeringsadres meerdere personen zijn ingeschreven en dat appellant sindsdien nooit meer in [woonplaats 1] werd gezien, heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, in het bijzonder naar zijn woon- en leefsituatie. In dat kader heeft een fraudepreventiemedewerker van de gemeente [woonplaats 1] onder meer dossieronderzoek verricht, het betrokken waterleidingbedrijf om informatie gevraagd, bij appellant bankafschriften opgevraagd en op 15 juli 2011 waarnemingen, met videoregistratie, verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 juli 2011. Naar aanleiding hiervan heeft het dagelijks bestuur op dezelfde datum de Regionale Recherche Nieuwegein (sociale recherche) verzocht om een opsporingsonderzoek uit te voeren. In het kader van dat onderzoek heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht en informatie ingewonnen bij de politie en bij het waterleidingbedrijf. In de periode van 15 februari 2012 tot en met 15 maart 2012 zijn voorts stelselmatige observaties verricht in de omgeving van het adres van [C.D.]. Tevens zijn getuigen, waaronder buurtbewoners van het uitkeringsadres en buurtbewoners van het adres van [C.D.], alsmede twee casemanagers gehoord. Appellant en [C.D.] zijn op

28 maart 2012 door de sociale recherche verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces‑verbaal van 16 april 2012.


1.3.

Het dagelijks bestuur heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 9 mei 2012 de bijstand van appellant met ingang van 26 mei 2009 in te trekken en bij besluit van 29 mei 2012 de over de periode van 26 mei 2009 tot en met 31 maart 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 34.807,38 bruto. Deze besluitvorming berust op het standpunt dat appellant in [woonplaats 2] een gezamenlijke huishouding voert met [C.D.] en dus zijn hoofdverblijf heeft verplaatst van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2].


1.4.

Bij besluit van 22 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 mei 2012 en 29 mei 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld doordat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn woonsituatie heeft geschonden.


1.5.

Het dagelijks bestuur heeft appellant met ingang van augustus 2013 opnieuw bijstand toegekend op uitkeringsadres.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft de juiste informatie over zijn woonsituatie verstrekt, te weten dat hij zo vaak als mogelijk zijn kinderen in [woonplaats 2] bezoekt, maar woont in [woonplaats 1] op het uitkeringsadres.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 26 mei 2009 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 9 mei 2012 (de datum van het intrekkingsbesluit).


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Voor het standpunt van het college dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet alle voor de vaststelling van zijn hoofdverblijf relevante feiten te melden bieden de beschikbare onderzoeksgegevens, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, onvoldoende grondslag.


4.3.1.

Het standpunt van het college is gebaseerd op de stelling dat appellant een aantal onder punten 2.15 en 2.19 van het door het dagelijks bestuur overgenomen advies van de commissie voor Bezwaarschriften opgesomde feiten en omstandigheden ten onrechte niet heeft gemeld. Het merendeel van die feiten, bijvoorbeeld betalingen van appellant aan [C.D.] en andersom, is echter niet van betekenis voor de vaststelling van het hoofdverblijf van appellant.

4.3.2.

Ter zitting van de Raad heeft het college meegedeeld dat het bestreden besluit met name is gebaseerd op het standpunt dat appellant het college niet adequaat heeft geïnformeerd over zijn feitelijk hoofdverblijf op het adres van [C.D.]. Voor dit standpunt bieden de gedingstukken echter onvoldoende steun. In dit verband is het volgende van belang.


4.3.3.

Uit het verslag van een in het kader van de re-integratie van appellant op 2 november 2009 gevoerd voortgangsgesprek tussen hem en casemanager Van der Velden volgt dat appellant daarin zonder enige terughoudendheid heeft verklaard over zijn omgang met [C.D.]. De relatie werd, zoals bij het college bekend was en niet in geschil is, gekenmerkt door een afwisseling van conflictueuze perioden en perioden van toenadering. Uit een bericht van 30 oktober 2009 van een medewerker van Bureau Jeugdzorg aan deze casemanager blijkt dat appellant en [C.D.] op dat moment op een wachtlijst staan voor relatietherapie en de intentie hebben om samen voor de kinderen te gaan zorgen. In de door deze casemanager tegenover de sociale recherche afgelegde getuigenverklaring blijkt eveneens dat appellant haar heeft ingelicht over zijn feitelijk verblijf op het adres van [C.D.]. Dit was voor haar reden om hem erop te wijzen dat aanleiding zou kunnen bestaan om een onderzoek naar zijn woonsituatie in te stellen.


4.3.4.

Uit het verslag van een voortgangsgesprek van 22 juni 2010, met appellant gevoerd in hetzelfde kader, nu met een andere casemanager, blijkt dat appellant heeft meegedeeld dat [C.D.] de maand daarop zal bevallen van hun derde gezamenlijke kind en dat hij haar meerdere keren per week bezoekt in verband met zijn twee kinderen, die bij haar wonen. Deze casemanager heeft in het verslag van 22 juni 2010 opgemerkt dat vraagtekens zijn te zetten bij de woonsituatie van appellant in verband met het feit dat hij, hoewel ingeschreven in [woonplaats 1], meerdere keren per week bij zijn ex-partner en twee kinderen verblijft en zij in verwachting is van hun derde kind. Deze gegevens vormden blijkens het verslag aanleiding om de woonsituatie van appellant te controleren en tevens om de gemeente Utrecht, die aan [C.D.] bijstand verstrekte, te informeren dat [C.D.] zwanger is van het derde kind van appellant en dat appellant meerdere keren bij [C.D.] en haar kinderen verblijft. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht hebben in dit fraudesignaal geen aanleiding gezien een onderzoek in te stellen naar de woonsituatie van [C.D.].


4.3.5.

De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant het college met betrekking tot de duur en de frequentie van zijn aanwezigheid in de woning van [C.D.] onjuist heeft geïnformeerd. Hij heeft in de voortgangsgesprekken steeds duidelijk gemaakt enerzijds dat hij meerdere keren per week bij [C.D.] verbleef en anderzijds dat de aard van de relatie meebracht dat hij daar nu eens vaker was en dan weer enige tijd in het geheel niet. De verklaringen van de buurtbewoners van beide adressen liggen in lijn met wat appellant en [C.D.] hebben meegedeeld, namelijk dat appellant veelvuldig op het adres van [C.D.] aanwezig was. De verklaringen zijn voorts niet voldoende concreet en geven onvoldoende inzicht in de feiten om daaruit de conclusie te kunnen trekken dat appellant op dat adres niet alleen veelvuldig aanwezig was maar daar ook zijn hoofdverblijf had. De verrichte observaties bieden daarvoor evenmin voldoende grondslag. De door appellant en [C.D.] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, bezien in het licht van het verhandelde ter zitting en de aldaar door [C.D.] en de moeder van appellant onder ede afgelegde verklaringen, bieden onvoldoende steun voor de stelling dat de opgave van appellant van zijn woon- en leefsituatie onjuist of onvolledig was.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn woon- en leefsituatie heeft geschonden. Het besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet tevens aanleiding de besluiten van 9 mei 2012 en 29 mei 2012 te herroepen, aangezien deze besluiten op dezelfde onjuist gebleken grondslag berusten en, gelet op het tijdsverloop sedertdien, niet aannemelijk is dat het dagelijks bestuur het gebrek in het onderzoek kan herstellen.


5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.960,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept de besluiten van 9 mei 2012 en 29 mei 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 oktober 2012;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.960,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het door hem betaalde griffierecht van

€ 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.M.A.V. van Kleef



HD