Centrale Raad van Beroep, 03-02-2015 / 14-7126 WWB-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:285

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Er is geen sprake van een financieel spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-03
Publicatiedatum
2015-02-06
Zaaknummer
14-7126 WWB-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/7126 WWB-VV

Datum uitspraak: 3 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2014, nr. 13/8056 (aangevallen uitspraak).

Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Op 14 januari 2015 en

16 januari 2015 heeft verzoekster aanvullende stukken ingezonden, waaronder een besluit van 6 januari 2015.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Verzoekster, geboren [in] 1940, ontving sinds 1 januari 2005 bijstand ter aanvulling op haar ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 1 januari 2007 ontving zij deze uitkering van de Svb (verstrekte uitkering), laatstelijk als een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Naar aanleiding van een verzoek van verzoekster om een Remigratievoorziening is de Svb gebleken dat verzoekster een woning bezit aan [het adres] te [P.] (Suriname). Naar aanleiding hiervan heeft de Svb verzoekster verzocht kopieën van een recent taxatierapport en een eigendomsbewijs dan wel bewijs van erfpacht van deze woning te overleggen. Uit de door verzoekster overgelegde stukken blijkt dat een erfpachtrecht ten aanzien van een stuk grond op dat adres met al wat daarop staat op 23 oktober 1980 aan verzoekster is toegescheiden en vervolgens op haar naam is ingeschreven in de openbare registers van het hypotheekkantoor van Suriname. Nadat verzoekster had meegedeeld hoogstwaarschijnlijk niet in staat te zijn verdere gegevens omtrent vermogen in Suriname te kunnen verschaffen, heeft de Svb het Bureau voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Suriname verzocht de waarde van de woning en de grond te laten taxeren. Op

6 juni 2013 heeft een beëdigd makelaar-taxateur in Suriname de waarde van de woning vastgesteld op € 7.200,-, de grond op € 9.375,- en de omheining op € 1.000,-, totaal:

€ 17.575,-.


1.3.

Bij besluit van 26 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 november 2013 (bestreden besluit), heeft de Svb, voor zover van belang, de verstrekte uitkering ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2007 tot en met juli 2013 gemaakte kosten van die uitkering tot een bedrag van € 50.779,25 van verzoekster teruggevorderd. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat het vermogen van verzoekster op 1 januari 2007 hoger is dan de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. Daardoor had verzoekster vanaf

1 januari 2007 geen recht op een aanvullende uitkering.


1.4.

Bij besluit van 14 april 2014 is aan verzoekster, naar aanleiding van haar aanvraag van

13 februari 2014, vanaf 12 december 2013 weer een AIO-aanvulling toegekend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoekster heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de verstrekte uitkering ten onrechte is ingetrokken en dat de Svb niet bevoegd is tot terugvordering van

€ 50.779,25. De waarde van de woning in Suriname bedraagt slechts € 3.500,- en blijft daarmee ruim onder de voor haar geldende vermogensgrens. De grond is niet van verzoekster. Daarnaast heeft de Svb ten onrechte geweigerd een AIO-aanvulling te verstrekken over de periode van 1 augustus 2013 tot 12 december 2013. Appellante heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de terugvordering niet wordt geëffectueerd met veroordeling van Svb in de kosten.


4. Naar aanleiding van dit verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde spoedeisend belang gesteld dat de Svb de terugvordering wil uitvoeren en dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is.


4.3.

De beantwoording van de vraag of, gelet op de betrokken belangen, sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval toe op de vraag of vanuit financieel oogpunt sprake is van een spoedeisend belang.


4.4.

Vooropgesteld wordt dat de gestelde omstandigheid dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat onverwijlde spoed een voorlopige voorziening vordert.


4.5.

Hetgeen verzoekster verder heeft aangevoerd levert geen grond op om te oordelen dat sprake is van een financieel spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat verzoekster sinds 12 december 2013 weer een AIO-aanvulling ontvangt ter aanvulling op haar ouderdomspensioen. Dat verzoekster zich niet kan verenigen met de terugvordering en de ingangsdatum van de AIO-aanvulling naar aanleiding van haar aanvraag van 13 februari 2014, doet hieraan niet af. Niet gebleken is dat de Svb inmiddels is overgegaan tot invordering van de terugvordering. Bij besluit van 6 januari 2015 is verzoekster wederom de mogelijkheid geboden om een terugbetalingsregeling te treffen die is afgestemd op haar inkomsten en vermogen. Daarnaast heeft verzoekster als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


4.6.

Tot slot heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ander spoedeisend belang, als gevolg waarvan de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarden, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. Het verzoek wordt daarom met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van

B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015.





(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) B. Rikhof







RG