Centrale Raad van Beroep, 05-02-2015 / 13-5750 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:288

Inhoudsindicatie
Het verleende ontslag is, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van betrokkene binnen de politiedienst en de gestelde eisen aan de betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De langdurige onberispelijke staat van dienst van betrokkene en de gevolgen die het ontslag voor hem hebben, leiden niet tot een ander oordeel. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-05
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
13-5750 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/81
Uitspraak

13/5750 AW, 13/6222 AW

Datum uitspraak: 5 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 oktober 2013, 12/4346 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.I. Meijering, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Meijering, dr. J.A.M. Kuster, neuroloog, en [naam B.].

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was sinds 1 juli 1977 werkzaam bij de politieregio [naam politieregio], laatstelijk als [naam functie A.] in de rang van [naam rang] bij de dienst [naam dienst].


1.2.

Op 12 december 2010 heeft betrokkene bij een bezoek aan een bouwmarkt een beitel meegenomen zonder deze te betalen. Betrokkene is geruime tijd gevolgd door bewakingscamera’s en direct na het passeren van de kassa staande gehouden door medewerkers van de beveiliging. Bij besluit van 4 januari 2011 is betrokkene met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld. Na een bezoek aan zijn neurochirurg is door betrokkene in februari 2011 een verband gelegd tussen zijn gedrag in de bouwmarkt en het gebruik van medicatie.


1.3.

Op 14 april 2011 is een voornemen tot strafontslag geuit, waarover appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Bij besluit van 29 maart 2012 is betrokkene wegens zeer ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang strafontslag dan wel (subsidiair) ongeschiktheidsontslag aangezegd. Bij besluit van 31 juli 2012 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij de beitel bij zich had toen hij de kassa van de bouwmarkt passeerde en deze niet betaalde. Het is niet aannemelijk geworden dat medicijngebruik van zodanige invloed is geweest dat de verweten gedragingen betrokkene niet of in mindere mate kunnen worden toegerekend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van

29 maart 2012 herroepen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het zeer aannemelijk is geworden dat betrokkene medicijnen heeft ingenomen. Wat de bijwerkingen zijn geweest op 12 december 2010 is niet meer vast te stellen. Volgens de rechtbank is er een gerede kans dat betrokkene onder invloed is geweest van Tramadol en Diazepam. De rechtbank beantwoordt de vraag of het handelen van betrokkene kan zijn veroorzaakt door bijwerkingen bevestigend. Het voorbijlopen van de kassa zonder de beitel te betalen kan worden geschaard onder de genoemde, door alle artsen beschreven bijwerkingen. Voor wat betreft het wegstoppen van de beitel tussen de verpakking en de koffer en het wegleggen van het verpakkingsdopje ligt het volgens de rechtbank anders. Dit kan bewust gedrag, gericht op diefstal van de beitel zijn geweest, maar kan ook gedrag zijn geweest dat is beïnvloed door de medicijnen. Het is waarschijnlijk dat betrokkene handelingen heeft verricht die hij niet heeft opgeslagen op zijn harde schijf. Dit kan verklaren waarom hij zich pas in februari 2011 heeft gerealiseerd dat hij mogelijk bijwerkingen heeft ondervonden. Het zal of kan volgens de rechtbank niet duidelijker worden. De rechtbank ziet een aaneenschakeling van toevalligheden die op twee manieren kan worden uitgelegd en legt het bewijsrisico bij appellant. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim betrokkene toe te rekenen valt. 3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat een ieder die verklaringen heeft afgelegd omtrent het medicijngebruik van betrokkene deze wetenschap ontleent aan betrokkene zelf. De bevraagde artsen hebben enkel verklaringen afgelegd over de kans op bijwerkingen. Dat die kans aanwezig is, wil niet zeggen dat zich bij betrokkene bijwerkingen hebben voorgedaan op 12 december 2010. Het niet betalen van de beitel is geen handeling geweest waar betrokkene zich niet bewust van is geweest vanwege de medicatie. Volgens appellant is sprake van zeer ernstig plichtsverzuim dat betrokkene kan worden toegerekend.


3.2.

Betrokkene heeft in het kader van zijn incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank in rechtsoverweging 5.3 heeft verzuimd op te nemen dat betrokkene op vrijdag 10 december 2010 naast Diazepam ook Tramadol heeft ingenomen. Verder kan betrokkene zich in de aangevallen uitspraak vinden.4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Appellant heeft hangende zijn hoger beroep een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 19 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2600, dit verzoek toegewezen en de werking van de aangevallen uitspraak geschorst totdat op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft het volgende overwogen (waarbij voor verzoeker appellant moet worden gelezen):

“4.4. Niet in geschil is dat betrokkene met de beitel de kassa is gepasseerd zonder deze te betalen. Evenmin in geschil is dat dit in principe zeer ernstig plichtsverzuim oplevert. Wel in geschil is of de handelingen in de bouwmarkt betrokkene volledig zijn toe te rekenen, nu hij stelt onder invloed te zijn geweest van pijnmedicatie.

4.5.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat betrokkene het plichtsverzuim heeft begaan als gevolg van bijwerkingen van door hem wegens rugpijn ingenomen medicijnen.

4.5.1.

Betrokkene heeft in juli 2010 een herniaoperatie ondergaan. Voorafgaand aan deze operatie had betrokkene, vanwege zijn pijnklachten, Tramadol en Diazepam voorgeschreven gekregen. Vast staat dat betrokkene na de operatie met deze medicatie is gestopt. Betrokkene is op vrijdag 10 december 2010 heen en weer gereden naar Eindhoven, om een ligbad op te halen. Deze lange autorit veroorzaakte ernstige rugpijn, waardoor hij naar zijn zeggen op de bewuste vrijdagavond, zonder voorafgaande consultatie van een arts, weer is gestart met het innemen van de genoemde medicatie, in de dosering zoals die was voorgeschreven voorafgaand aan de operatie.

4.5.2.

Daarmee zijn met betrekking tot het eventuele medicijngebruik door betrokkene geen andere gegevens voorhanden dan de verklaring daarover van hemzelf, waarmee hij overigens pas enkele maanden na het incident, na een suggestie in die richting van zijn neuroloog, is gekomen. In het midden kan blijven of het gestelde medicijngebruik aldus voldoende aannemelijk is geworden. Ook al zou dit namelijk het geval zijn, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geldt in ieder geval dat het handelen van betrokkene niet aan dit medicijngebruik valt toe te schrijven. In theorie zou een enkel niet afrekenen van een artikel bij de kassa nog het gevolg kunnen zijn van vergeetachtigheid, hetgeen dan mogelijkerwijs zou passen in de diverse in deze zaak verstrekte medische expertises, die, overigens met vermelding van wisselende maten van waarschijnlijkheid, spreken van bijwerkingen als geheugenverlies, verminderde alertheid en verminderd cognitief functioneren. In dit geval vormt het passeren van de kassa echter het sluitstuk van een aantal elkaar opvolgende handelingen die, naar wordt bevestigd door onder meer de gedetailleerde schriftelijke verklaring die betrokkene kort na het incident heeft opgesteld, niet anders dan met een zekere mate van welbewustheid en doordachtheid kunnen zijn uitgevoerd. Het dopje met barcode is van de beitel verwijderd, de beitel is geplaatst tussen het karton en het - door betrokkene opengemaakte - plastic van de verpakking van een in de winkelwagen geplaatste koffer met een boormachine, en het dopje is vervolgens met een onopvallend gebaar in een stelling in de winkel achtergelaten. Deze handelingen vallen niet te rijmen met de door de medici beschreven bijwerkingen. Eén van hen heeft, in tegendeel, benadrukt dat de bewuste medicijnen niets kunnen veranderen aan het moreel besef van de gebruiker.

4.5.3.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank op dit punt ten onrechte een bewijsrisico neergelegd bij verzoeker. Verzoeker heeft medisch onderzoek doen verrichten naar aanleiding van hetgeen betrokkene over het medicijngebruik naar voren heeft gebracht. Daarmee heeft verzoeker in deze zaak aan zijn bewijsvoeringslast voldaan. Dat het plichtsverzuim betrokkene niet of in verminderde mate valt toe te rekenen is evenwel onvoldoende aannemelijk geworden. Dan behoort geen andere conclusie te resteren dan dat van volledige toerekenbaarheid moet worden uitgegaan.”

4.2.

De Raad kan zich vinden in de onder 4.1 weergegeven overwegingen van de voorzieningenrechter en maakt die tot de zijne. De Raad voegt hier het volgende aan toe. Het verleende ontslag is, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van betrokkene binnen de politiedienst en de gestelde eisen aan de betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De langdurige onberispelijke staat van dienst van betrokkene en de gevolgen die het ontslag voor hem hebben, leiden niet tot een ander oordeel.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.


4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD