Centrale Raad van Beroep, 05-02-2015 / 13-4139 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:289

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding in verband met ongeval onderweg naar een vergadering. Omdat in het bijzonder voor iemand die het gebouw voor het eerst betrad, mede in verband met de verhuizing, direct na het passeren van de klapdeuren sprake was van een ongewone en risicovolle situatie had de staatssecretaris, terwijl dat eenvoudig mogelijk was, aanvullende veiligheidsmaatregelen moeten treffen. Door dat na te laten heeft hij zijn zorgplicht geschonden. Vernietiging bestreden besluit wegens motiveringsgebrek. De Raad ziet met het oog op een voortvarende afwikkeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-05
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
13-4139 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/4139 AW

Datum uitspraak: 5 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 juli 2013, 13/479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. de Wever hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Wever. Namens de staatssecretaris zijn verschenen

mr. K.A. Linders en mr. Q.A. Witsen Elias.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was werkzaam als [naam functie A.]bij de [naam werkgever] te [plaatsnaam A.]. Op 3 juli 2006 was zij in verband met een vergadering in het [naam kantoor] te [plaatsnaam B.].


1.2.

Het [naam kantoor] te [plaatsnaam B.] bestaat uit twee delen, een deel oudbouw en een deel nieuwbouw, die met elkaar in verbinding staan. Op de vierde verdieping is een verbinding van de oudbouw naar de nieuwbouw, waarbij de vloer van de oudbouw 35 centimeter hoger ligt dan die van de nieuwbouw. Ter overbrugging van het hoogteverschil is een hellingbaan aangebracht.


1.3.

Vanwege een interne verhuizing waren de liften in de nieuwbouw op 3 juli 2006 buiten gebruik. Deelnemers aan de vergadering moesten via de oudbouw naar de vergaderzaal in de nieuwbouw. Appellante is onderweg naar de vergadering halverwege van de hellingbaan afgestapt en daarbij gevallen. Hierbij is haar rechterelleboog uit de kom geraakt en was sprake van een radiuskopfractuur.


1.4.

Bij brief van 12 juli 2006 heeft appellante de staatssecretaris aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.


1.5.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft de staatssecretaris aansprakelijkheid voor het appellante overkomen ongeval afgewezen. Bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de staatsecretaris het bezwaar van appellante tegen die afwijzing ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft in hoger beroep geconcludeerd dat de rechtbank onjuiste grondslagen aan de beoordeling van de voorliggende kwestie heeft aangelegd, wat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Indien, zoals in het geval dat hier aan de orde is, sprake is van een zelfstandig schadebesluit dat betrekking heeft op schade die de ambtenaar stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, hanteert de Raad volgens vaste rechtspraak de norm zoals omschreven in zijn uitspraak van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072. Gelet op deze norm en gelet op de door partijen betrokken stellingen is in de eerste plaats de vraag aan de orde of de staatssecretaris heeft voldaan aan zijn verplichting de werkzaamheden van appellante zodanig in te richten, dan wel voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat appellante in de uitoefening van haar werkzaamheden schade lijdt.


4.2.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast:

i) dat appellante op 3 juli 2006 voor de eerste keer in het [naam kantoor] te [plaatsnaam B.] was en dat zij bij aankomst te horen kreeg dat zij in verband met verhuizingen met de lift naar de vierde verdieping van de oudbouw moest gaan en daar aangekomen naar de nieuwbouw moest gaan om vervolgens via het trappenhuis de vergaderzaal te bereiken;

ii) dat appellante de lift heeft genomen naar de vierde verdieping van de oudbouw en daar is uitgestapt en dat zij haar route vervolgd heeft door het verlaten van de hal voor de lift via klapdeuren in de richting van de nieuwbouw;

iii) dat appellante, zonder dat zij dat vooraf kon waarnemen, na door de klapdeuren te zijn gegaan onmiddellijk terecht is gekomen op de hellingbaan die gelegen was in de hal voor de liften en het trappenhuis van de nieuwbouw en die aan de linkerkant grensde aan een muur, maar aan de rechterkant geen afscheiding had naar de lager gelegen vloer van de lift- en trappenhuishal;

iiii) dat in die hal en aan het einde van de hellingbaan verhuiscontainers stonden.


4.3.

Bij de laatste vaststelling overweegt de Raad dat hij de betwisting door de staatssecretaris van de stelling van appellante dat er containers in de weg stonden, verwerpt. Dat appellante de bijzondere route moest volgen, hield verband met verhuizingen: dat maakt de aanwezigheid van verhuiscontainers in beginsel aannemelijk. Verder heeft appellantes collega M in haar schriftelijke verklaring van 19 juli 2012 bevestigd dat er obstakels in de gang bij de liften waren en dat het daardoor niet mogelijk was de hellingbaan volledig af te lopen. Nu niet binnen korte tijd na het ongeval een ongevalsrapportage is opgemaakt - waartoe zeker alle reden was geweest, nu het noodzakelijk was gebleken dat appellante per ambulance werd afgevoerd - en de staatssecretaris pas ruim vijf jaar na het ongeval een rapportage heeft opgesteld zonder bij de totstandkoming daarvan appellante te betrekken, kan een eventuele bewijsnood van appellante met betrekking tot de hier bedoelde feiten niet voor haar rekening en risico komen.


4.4.

De Raad stelt mede in verband met het voorgaande verder vast:

v) dat appellante gedwongen was de hellingbaan halverwege te verlaten door daarvan af te stappen in de richting van het trappenhuis.


4.5.

Onbetwist staat tussen partijen vast dat de hellingbaan een afwijkende rode kleur had, van een noppenreliëf voorzien was en voldeed aan de vereisten van het destijds geldende Bouwbesluit. De staatssecretaris heeft nog naar voren gebracht dat er in de betrokken hal deugdelijke plafondverlichting was, maar appellante heeft het effect daarvan betwist door te wijzen op de aanwezigheid van de verhuiscontainers.


4.6.

De staatssecretaris heeft betoogd dat hij met de onder 4.5 omschreven maatregelen aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dat er vrijwel direct nadat het ongeval had plaatsgevonden bij de hellingbaan paaltjes met kettingen zijn geplaatst en dat enige tijd later een leuning is aangebracht, mag zijns inziens niet tot de conclusie leiden dat hij zijn zorgplicht heeft geschonden.

4.7.

De Raad volgt de staatssecretaris en daarmee de rechtbank niet. Omdat in het bijzonder voor iemand die het gebouw voor het eerst betrad, mede in verband met de verhuizing, direct na het passeren van de klapdeuren sprake was van een ongewone en risicovolle situatie had de staatssecretaris, terwijl dat eenvoudig mogelijk was, aanvullende veiligheidsmaatregelen moeten treffen. Door dat na te laten heeft hij zijn onder 4.1 omschreven zorgplicht geschonden.


4.8.

Wat onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.9.

Het hoger beroep van appellante slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, ook het bestreden besluit vernietigen. De staatssecretaris dient opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2012 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, nu de (omvang van de) schade ten gevolge van het ongeval op dit moment nog onvoldoende vaststaat en in wezen een geheel nieuwe beoordeling van het verzoek van appellante om schadevergoeding dient plaats te vinden. De Raad ziet met het oog op een voortvarende afwikkeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.


5. Er is aanleiding de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 januari 2013;

- bepaalt dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van

deze uitspraak;

- bepaalt dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 399,- vergoedt;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.960-.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2015.





(getekend) R. Kooper




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD