Centrale Raad van Beroep, 05-02-2015 / 13-2747 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:291

Inhoudsindicatie
Functiebeschrijving. Inpassing in functieboek. Geen grond voor de conclusie dat de inpassing als onhoudbaar is te beschouwen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-05
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
13-2747 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2747 AW

Datum uitspraak: 5 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 maart 2013, 13/502 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [naam gemeente] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. ten Seldam hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Seldam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.S. van Loon, advocaat, en door mr. J.J. Mattijssen en mr. R.J. Kroezen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was als[naam functie] werkzaam in de vakdirectie [naam vakdirectie] van de gemeente [naam gemeente]. In mei 2003 is van die functie een functiebeschrijving (brondocument) opgemaakt. In 2007 is de vakdirectie [naam vakdirectie] gesplitst in twee vakdirecties: [A.] ([A.]) en[B.] ([B.]), waarbij appellant bij de vakdirectie [A.] is geplaatst. De functies van de [naam functie] [naam vakdirectie] die bij [B.] werden geplaatst, zijn op dat moment opnieuw beschreven en tevens hoger ingeschaald, maar de functies van de [naam functie] [naam vakdirectie] die bij [A.] werden geplaatst niet.


1.2.

In het kader van de invoering van het Functieboek [naam gemeente] 2010 (Functieboek) heeft het college appellant bij besluit van 6 september 2010 per 1 januari 2010 ingedeeld in de functie van [naam functie 2]. Bij besluit van 3 maart 2011 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.


1.3.

Na een tussenuitspraak van 17 februari 2012 heeft de rechtbank [naam gemeente] bij einduitspraak van 18 september 2012 het beroep tegen het besluit van 3 maart 2011 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe is overwogen dat de voormalig [naam functie] [naam vakdirectie] die werkzaam zijn in de vakdirectie [B.] zijn ingedeeld in de functie van [naam functie 3], en partijen het erover eens zijn dat deze [naam functie] op

1 januari 2010 hetzelfde werk deden als appellant. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.


1.4.

Bij besluit van 13 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 september 2010 opnieuw ongegrond verklaard. Omdat ook de voormalig [naam functie] [naam vakdirectie] die werkzaam zijn in de vakdirectie [B.] thans met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010 zijn ingedeeld in de functie van [naam functie 2], is volgens het college geen sprake meer van strijd met het gelijkheidsbeginsel.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3562) moet de inpassing in een generieke functie terughoudend worden getoetst. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van het bestreden besluit kan worden overgegaan als deze inpassing als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf denkbaar en verdedigbaar is.

Voor zover het gaat om de vraag of bepaalde werkzaamheden op de in geding zijnde peildatum tot de feitelijke opgedragen werkzaamheden behoorden en daarom terecht wel of niet zijn vermeld in het brondocument, is een slechts terughoudende toetsing door de rechter volgens vaste rechtspraak niet op zijn plaats (CRvB 25 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6876, CRvB 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2588 en

CRvB 6 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3623).


4.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld doordat geen enkel overleg heeft plaatsgevonden over de actualisering van het brondocument, terwijl dit conform artikel 2 van de Tijdelijke Regeling Functiewaardering van de gemeente [naam gemeente] wel vereist was.


4.2.2.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college op dit punt niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit nu appellant zijn zienswijze op het brondocument alsnog volledig tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase kenbaar heeft kunnen maken en niet is gebleken dat hij in zijn processuele belangen is geschaad. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


4.3.1.

Appellant meent dat de door hem verrichte werkzaamheden onvoldoende zijn verwoord in het brondocument dat is gehanteerd bij de inpassing in het Functieboek. Aan appellant kan worden toegegeven dat in het brondocument elementen ontbreken die in beginsel nodig zijn om de functie met toepassing van een functiewaarderingssysteem te kunnen inpassen in het Functieboek. Waar het immers gaat om een analyse van de opgedragen werkzaamheden, is een duidelijke en herkenbare weergave daarvan op hoofdlijnen vereist waarbij zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de in het toepasselijke functiewaarderingssysteem gehanteerde terminologie (CRvB 13 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN8703). Niettemin bestaat gelet op wat appellant in dit kader heeft aangevoerd geen grond voor de conclusie dat de inpassing als onhoudbaar in de onder 4.1 bedoelde zin is te beschouwen. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.


4.3.2.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat ten onrechte niet is vermeld dat hij beleid ontwikkelt. De Raad is van oordeel dat het door appellant bij het verlenen van vergunningen in individuele gevallen leveren van maatwerk en het bewaken van de gelijke behandeling bij die individuele gevallen, niet als beleidsontwikkeling kan worden gekwalificeerd. De werkzaamheden van appellant bij de vergunningverlening moeten worden aangemerkt als werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van vastgesteld beleid en, indien er geen vastgesteld beleid voorhanden is, het leveren van inbreng voor nieuw beleid.


4.3.3.

Verder heeft appellant aangevoerd dat het college ten onrechte bij de inpassing de werkzaamheden die hij uitvoerde in het kader van een twinning van de gemeente [naam gemeente] met Bonaire niet heeft meegenomen. Evenals het college is de Raad van oordeel dat hier geen sprake is van structureel opgedragen werkzaamheden. Overigens valt ook uit de verklaringen van M en P niet af te leiden dat appellant op Bonaire wel beleid ontwikkelde. M heeft in zijn verklaring van 26 november 2013 wel vermeld dat speerpunten in de twinning aanvankelijk waren het operationaliseren van de Hinderverordening Bonaire en het ontwikkelen van beleid gericht op gevaarlijk afval in prioritaire branches. M heeft daarbij echter niet vermeld dat het appellant was die dit beleid ontwikkelde, maar onder het kopje ‘Specifieke werkzaamheden’ juist aangegeven dat appellant als [naam functie] optrad en als specialist betrokken was bij het ontwerpen van milieuvergunningen.


4.3.4.

Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat bij de inpassing geen rekening is gehouden met het langdurend effect van de werkzaamheden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van beïnvloeding van de omgeving buiten de eigen werkeenheid en merkbaarheid van effecten tot een termijn van langer dan een jaar, nu de werkzaamheden leiden tot het opstellen van een vergunning en daarom een kortdurend effect hebben.


4.3.5.

Ten slotte heeft appellant in dit kader aangevoerd dat bij de aard van de contacten sprake is van belangentegenstellingen, waarbij hij doelt op de procesvertegenwoordiging. De rechtbank heeft ook hier met juistheid geoordeeld dat het niet appellants taak is om tot een vergelijk te komen, maar om wet- en regelgeving te vertalen naar de concrete situatie, en om het standpunt van het college te presenteren in gerechtelijke procedures. Appellant heeft de feitelijke stelling dat hij geschillen moet oplossen onvoldoende onderbouwd.


4.3.6.

Hetgeen is overwogen onder 4.3.2 tot en met 4.3.5 leidt tot de conclusie dat de onder 4.3.1 weergegeven hogerberoepsgrond niet slaagt.


4.4.1.

De Raad stelt vast dat er een aparte procedure loopt over vraag of de salariëring van appellant gelijk moet worden getrokken met de salariëring van de [naam functie] bij de vakdirectie [B.]. Gelet hierop is in het hier aan de orde zijnde geding het beroep op het gelijkheidsbeginsel van appellant beperkt tot de vraag of het college dit beginsel heeft geschonden door appellant in te passen in de functie van [naam functie 2].


4.4.2.

In het dossier bevindt zich een besluit, gericht aan een [naam functie] bij de vakdirectie [B.], waarin deze - overigens met behoud van arbeidsvoorwaarden en rechtspositie - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 wordt ingedeeld in de functie [naam functie 2]. Namens het college is ter zitting verklaard dat alle [naam functie] van de vakdirectie [B.] een dergelijk reparatiebesluit hebben ontvangen. De enkele stelling van appellant dat hij zich afvraagt of dit juist is en of bijvoorbeeld de heer R ook een dergelijk besluit heeft ontvangen, leidt niet tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ook deze hogerberoepsgrond treft dus geen doel.


4.5.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2015.




(getekend) R. Kooper




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD