Centrale Raad van Beroep, 08-06-2015 / 14-343 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2953

Inhoudsindicatie
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze is verricht. De conclusies van de verzekeringsarts b&b zijn inzichtelijk en overtuigend en vormen een deugdelijke grondslag voor de (gedeeltelijk gewijzigde) vaststelling van de beperkingen op de d.i.g. De ingediende verklaring van psychiater van Tillo ziet niet op de in geding zijnde datum. CBBS is aanvaard als ondersteunend systeem bij de beoordeling aoh volgens vaste rechtspraak. Functies zijn passend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-08
Publicatiedatum
2015-09-03
Zaaknummer
14-343 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/343 WIA

Datum uitspraak: 8 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

31 december 2013, 13/1651 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een brief van psychiater J. van Tillo, werkzaam bij Altrecht, van 11 februari 2014 overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend waarin is gewezen op een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J.G. Schipper van 27 februari 2014.

Appellant heeft de beroepsgronden aangevuld. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Schipper van 27 maart 2014.

Bij schrijven van 16 april 2015 heeft appellant nog stukken in het geding gebracht. In reactie hierop heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep

B.C. Bockwinkel van 24 april 2015 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat de loongerelateerde

WGA-uitkering per 1 augustus 2012 eindigt en dat appellant vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering. De mate van appellants arbeidsongeschiktheid bedraagt 65 tot 80%.


1.2.

Bij besluit van 5 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar verzekeringsgeneeskundige rapporten van 23 oktober 2012 en 21 januari 2013 en arbeidskundige rapporten van 20 november 2012 en 4 maart 2013, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft, gelet op het feit dat het Uwv in beroep, op 19 november 2013, de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft gewijzigd, geoordeeld dat het bestreden besluit medisch onvoldoende was onderbouwd. Dat besluit is daarom in strijd genomen met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank heeft echter aanleiding gevonden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, omdat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid per de datum in geding, 1 augustus 2012, op deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden. Onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige rapporten heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv met betrekking tot de belastbaarheid van appellant onderschreven en vervolgens geoordeeld dat appellant de voor hem geschikt geachte voorbeeldfuncties moet kunnen vervullen.


3.1.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Hij heeft beroepsgronden aangevoerd tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Appellant stelt dat ten onrechte geen depressie en psychotische verschijnselen aanwezig zijn geacht, dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen en dat zijn verslavingsproblematiek onvoldoende is vertaald in de FML. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een brief van psychiater J. van Tillo van 11 februari 2014 ingediend waaruit blijkt dat appellant zich heeft aangemeld bij een kliniek in verband met zijn alcoholverslaving. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies acht appellant niet passend omdat er in deze functies sprake is van een persoonlijk risico, terwijl hij op dit punt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkt is geacht. Appellant stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan hem is om aan te tonen dat er in de functies sprake is van werken met gevaarlijke machines.


3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van zijn arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 21 januari 2013 uitgebreid gerapporteerd over zijn onderzoek. Het rapport bevat een samenvatting van de medische bezwaren van appellant op fysiek en psychisch gebied en de bespreking daarvan aan de hand van de medische informatie uit het dossier, waaronder de op verzoek van het Uwv uitgebrachte expertise van psychiater R.L. Leta van 9 mei 2011 en het door appellant ingediende rapport van de behandelend psycholoog drs. M.C.J. van Rijn van 15 december 2011. Met de aanvullende rapporten van 2 september 2013 en 19 november 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de in beroep door appellant overgelegde reactie van de behandelend psycholoog Van Rijn van 12 april 2013 en het aanvullend beroepschrift waarin appellant heeft gewezen op de verslavingsproblematiek. Deze verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast en daarin beperkingen van de mogelijkheden om arbeid te verrichten als gevolg van cannabis en alcoholgebruik opgenomen. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de op appellant van toepassing zijnde diagnose een persoonlijkheidsstoornis is en dat niet geconcludeerd kan worden dat bij appellant sprake is van ernstig psychiatrisch lijden. De diagnose persoonlijkheidsstoornis geeft in het geval van appellant geen aanleiding tot het aannemen van beperkingen op het gebied van handelingstempo en deadlines; ook een beperking in arbeidsduur is niet aan de orde. Deze conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn inzichtelijk en overtuigend. Daarom vormen zij een deugdelijke grondslag voor de (gedeeltelijk gewijzigde) vaststelling van de voor appellant geldende beperkingen op de in geding zijnde datum

1 augustus 2012.


4.2.

De door appellant in hoger beroep ingediende verklaring van psychiater van Tillo ziet op een verergering van de klachten van appellant in de maanden voorafgaand aan februari 2014, die hebben geleid tot zijn aanmelding bij de verslavingszorg. Zoals uit de op 16 april 2015 door appellant ingediende stukken blijkt, is appellant per 17 februari 2014 volledig arbeidsongeschikt geacht in verband met opname in een kliniek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een reactie van 24 april 2015 te kennen gegeven dat de situatie van appellant zoals in 2014 beschreven niet ziet op de in geding zijnde datum. Deze reactie kan de Raad onderschrijven.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak, uitspraak van 20 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5140, is het CBBS aanvaard als ondersteunend systeem bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, een verzekerde arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten.


4.4.

Nu blijkens de resultaten functiebeoordeling in de functies geen signaleringen voorkomen op aspect 1.9.9. (persoonlijk risico), kan worden aangenomen dat er in deze functies geen sprake is van verhoogd persoonlijk risico als gevolg van werken met gevaarlijke machines. Het is dan aan appellant om aannemelijk te maken dat in die functies wel degelijk sprake is van gevaarlijke situaties. Hierin is appellant niet geslaagd. Hij heeft zijn stelling dat er met gevaarlijke machines wordt gewerkt niet met gegevens onderbouwd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 27 februari 2014, onder verwijzing naar informatie van de arbeidskundig analist, toegelicht dat in de aan appellant voorgehouden functies van een verhoogd persoonlijk risico geen sprake is.


4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de functie elektronicamonteur niet passend is, omdat in deze functie op een heftruck wordt gereden en het niet verantwoord is om iemand met een alcoholverslaving een voertuig te laten besturen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 november 2013 vermeld dat professioneel autorijden voor appellant is gecontra-indiceerd in verband met cannabis en alcoholgebruik. Nu in de functie elektronica monteur autorijden niet voorkomt en er slechts sprake is van het verplaatsen van een pallet over enkele meters met behulp van een pallettruck, is er geen grond om deze functie, gelet op de voor appellant geldende beperking voor autorijden, niet passend te achten.


4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 november 2013 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant op de in geding zijnde datum in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de functies elektronica monteur (sbc-code 267040), machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122) en productiemedewerker papier (sbc-code 111174).


5. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 wordt de aangevallen uitspraak bevestigd voor zover aangevochten. Gelet op dit oordeel is er geen ruimte voor het toewijzen van appellants verzoek om vergoeding van wettelijke rente.


6. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. van Leeuwen en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) K. de Jong




NK