Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 14/1707 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2969

Inhoudsindicatie
De gespreksbevestiging kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college heeft het bezwaar van appellant tegen de gespreksbevestiging terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, zodat het college op grond van 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb geen dwangsom is verschuldigd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-03
Zaaknummer
14/1707 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/321
Uitspraak

14/1707 WWB

Datum uitspraak: 1 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2014, 13/3844 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Voor appellant is verschenen mr. J. Sprakel, kantoorgenoot van mr. Fischer. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 1 en 12 november 2012 gemeld bij de balie van de Brede Centrale Toegang Kennemerland (BCT). Een medewerkster van de balie van de BCT heeft het gesprek op 12 november 2012 bevestigd met een formulier en appellant doorverwezen naar de sociale dienst. Op het formulier, voor zover hier van belang, is onder “Besproken problematiek” het volgende geschreven:

“Huisvesting: betr verklaart niet meer bij vriendin in [plaats] te slapen. Voor een adres en uitkering gesprek bij Soc. Dienst.

Opvang: er is geen reden om hem op te vangen zolang hij bij familie en vrienden kan slapen.

Voorzieningen: Stem in de Stad PO/NO.”


1.2.

Appellant heeft bij brief van 13 november 2012 bezwaar gemaakt tegen de gespreksbevestiging van 12 november 2012.


1.3.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college aan appellant bijstand op grond van de Wet werk en bijstand toegekend met ingang van 1 november 2012.


1.4.

Appellant heeft het college bij brief van 9 juni 2013 in gebreke gesteld en verzocht om de verschuldigde dwangsom te voldoen als niet binnen de wettelijke termijn op het ingediende bezwaarschrift wordt beslist.


1.5.

Bij besluit van 30 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de gespreksbevestiging van 12 november 2012 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een dwangsom afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de gespreksbevestiging van 12 november 2012 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb is in dat geval geen dwangsom verschuldigd, zodat dit verzoek wordt afgewezen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling gericht is op enig rechtsgevolg. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.


4.2.

Anders dan appellant heeft betoogd, kan de gespreksbevestiging van 12 november 2012 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De BCT is een samenwerkingsverband van de GGD Kennemerland, Stichting Release en Afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem. De BCT is het centrale meldpunt voor dak- en thuislozen en geeft informatie en advies over onder andere het aanvragen van een briefadres of een uitkering en voorzieningen voor dak- en thuislozenzorg in de regio. In dat kader heeft appellant zich met een hulpvraag gewend tot de BCT. Naar aanleiding hiervan heeft een medewerkster van de balie appellant tijdens het gesprek op

12 november 2012 geïnformeerd en hem de weg gewezen die voor hem de meest gerede was. Dit gesprek is bevestigd met een formulier. Dit formulier is van informatieve aard en bevat slechts feitelijke mededelingen over wat is besproken en waar appellant een aanvraag voor een adres en uitkering kan indienen. Er is dan ook geen sprake van een op rechtsgevolg gericht besluit van het college op een daartoe strekkend verzoek van appellant.


4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het college het bezwaar van appellant tegen de gespreksbevestiging van 12 november 2012 terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het college op grond van 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb geen dwangsom is verschuldigd.


4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren

HD