Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 14/2422 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2974

Inhoudsindicatie
Vordering wegens leenbijstand. Het college heeft voor de vordering inmiddels een schuldregeling met appellant getroffen, die inhoudt dat appellant € 595,44 betaalt tegen finale kwijting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-03
Zaaknummer
14/2422 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2422 WWB

Datum uitspraak: 1 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 april 2014, 13/2150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Het college heeft appellant bij besluit van 3 mei 2012 (toekenningsbesluit) ten behoeve van huisraad of inrichtingskosten bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend. De bijstand is verleend in de vorm van een geldlening, voor een bedrag van € 3.000,-. Over de aflossing staat in het besluit dat binnenkort iedere maand een bedrag van € 0,00 op de uitkering van appellant zal worden ingehouden. Appellant heeft in verband met de geldlening op 20 april 2012 een akte van schuldbekentenis getekend voor een bedrag van € 3.131,-.


1.2.

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft het college de als geldlening verleende bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB van appellant teruggevorderd op de grond dat appellant zich niet houdt aan de aflossingsverplichting.


1.3.

Bij besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2013 ongegrond verklaard.


2.1.

Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft het college op 29 augustus 2013 een nieuw besluit op het bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Bij dit besluit heeft het college het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard en het besluit van 18 maart 2013 ingetrokken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat duidelijk was dat de bijstand in de vorm van een geldlening was verstrekt, maar dat uit de akte van schuldbekentenis, noch uit het toekenningsbesluit blijkt per wanneer en met welk bedrag appellant de lening moest gaan aflossen. Dit betekent dat de lening niet op grond van

artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB teruggevorderd kon worden. Aan appellant dient eerst een betaalverplichting te worden opgelegd, met inachtneming van het besluit van 16 mei 2013. Bij dit besluit heeft het college appellant uitstel van betaling verleend voor de duur van een schuldhulptraject.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding van appellant heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen het bestreden besluit 1 en dat het bestreden besluit 2 geheel tegemoet komt aan het beroep van appellant. Zijn verzoek om schadevergoeding heeft appellant onvoldoende onderbouwd.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het bestreden besluit 2 voor hem niet te begrijpen is vanwege onduidelijkheden in de tekst en zijn chronische schizofrene psychose. Appellant stelt dat hij vanaf 1984 tot en met heden wordt geterroriseerd door de Gemeentelijke Sociale Dienst en de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI). Hij had op zijn achttiende al recht op een Wajong-uitkering, maar die is hem 25 jaar lang geweigerd. Het college heeft appellant lastiggevallen met onderzoeken en de plicht te solliciteren. Het college heeft zijn bijstand veelvuldig stopgezet. Hierdoor is de chronische schizofrene psychose van appellant verergerd en is hij op 48-jarige leeftijd een oude man.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uit de stukken komt naar voren dat appellant de mededeling in het bestreden besluit 2 dat een betaalverplichting dient te worden opgelegd met inachtneming van het besluit van 16 mei 2013 niet heeft begrepen. Hiermee heeft het college bedoeld dat appellant de bijstand moet terugbetalen, maar dat, zoals bepaald in het besluit van 16 mei 2013, voor de duur van een schuldhulptraject aan appellant uitstel van betaling wordt verleend. Het lag op de weg van appellant om het college om een toelichting te vragen als dit hem niet duidelijk was. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.


4.2.

Uit het verweerschrift in hoger beroep en wat het college ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat het college voor de vordering inmiddels een schuldregeling met appellant heeft getroffen, die inhoudt dat appellant € 595,44 betaalt tegen finale kwijting. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting gemeld dat er al is afgelost op deze vordering en dat het restant is kwijtgescholden. Dit betekent dat tussen partijen inmiddels geen geschil meer bestaat over de terugbetaling van de bijzondere bijstand.


4.3.

Appellant heeft ook in hoger beroep niet onderbouwd dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het bestreden besluit 2. De Raad onderschrijft de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de schade en maakt de overweging waarop dit oordeel berust tot de zijne.


4.4.

Wat appellant verder heeft aangevoerd over de wijze waarop de DWI hem heeft behandeld, zijn onbegrip over de gang van zaken en zijn wens om met het college tot een goede verstandhouding te komen, valt buiten de omvang van het geschil waarover de Raad moet oordelen. De Raad kan hierover geen uitspraak doen.


4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C. Moustaïne




HD