Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 13/6231 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2989

Inhoudsindicatie
Het beroep op de bepalingen van internationale verdragen kan niet leiden tot het toekennen van bijstand ingevolge de WWB. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante niet heeft aangetoond dat ten tijde van de aanvraag sprake was van een relevante wijziging van haar omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
13/6231 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/6231 WWB, 14/1125 WWB

Datum uitspraak: 1 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

13 november 2013, 13/5793 (aangevallen uitspraak 1) en van 12 februari 2014, 13/8052 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Manen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1 en heeft mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, die de Nigeriaanse nationaliteit heeft, ontving sinds 25 juni 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij beschikking van 22 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (minister) de eerder aan appellante verleende verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 11 april 2012. Bij beschikking van 19 oktober 2012 heeft de minister de bezwaren van appellante tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning ongegrond verklaard. Daarbij heeft de minister overwogen dat het opsporingsonderzoek, dat naar aanleiding van de aangifte van appellante van mensenhandel van 24 januari 2012 was opgestart, is geseponeerd. Hierdoor is niet komen vast te staan dat appellante slachtoffer is van mensenhandel. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat appellante slachtoffer is van mensenhandel, bestaat voor haar geen belemmering om terug te keren naar het land van herkomst. Appellante heeft tegen de beschikking van 19 oktober 2012 beroep ingesteld. Tevens heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tot opschorting van de verplichting om Nederland te verlaten.


1.2.

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 19 oktober 2012 ingetrokken en de over de periode van 19 oktober 2012 tot en met

30 november 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 1.081,57 van haar teruggevorderd. Dit besluit berust op de grond dat appellante sinds 19 oktober 2012 geen verblijfstitel meer heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Bij besluit van 10 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van

7 februari 2013 ongegrond verklaard.


1.3.

Appellante heeft zich op 21 februari 2013 opnieuw gemeld voor een aanvraag om bijstand. Bij besluit van 4 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 september 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen.


2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Aangevallen uitspraak 1


4.1.

Niet in geschil is dat appellante sinds 19 oktober 2012 geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 en op grond daarvan niet op grond van artikel 11, derde lid, onder b, van de WWB met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Hierdoor heeft zij geen recht meer op bijstand. Dat zij blijkens een stempel in haar paspoort niet kan worden uitgezet hangende de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening doet daar volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7603) niet aan af.


4.2.

Appellante heeft zich beroepen op diverse bepalingen van internationale verdragen waarin de fundamentele rechten die de basis zijn van een menswaardig bestaan worden genoemd, waaronder artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat strekt tot bescherming van het privé- en gezinsleven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1725, kunnen de waarborgen van artikel 8 van het EVRM er niet toe leiden dat aan de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, toch bijstand op grond van de WWB moet worden verleend. Dit geldt evenzeer voor het beroep dat appellante heeft gedaan op de artikelen 2, 3 en 6 van het EVRM, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 6 en 8 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Indien uit deze artikelen, die betrekking hebben op het recht op leven en de bescherming tegen een onmenselijke behandeling door de staat, een positieve verplichting zou voortvloeien, kan daaraan niet gestalte worden gegeven door het toekennen van bijstand ingevolge de WWB.


4.3.1.

Appellante heeft er in bezwaar en beroep op gewezen dat zij bij brief van 31 januari 2013 heeft verzocht de bijstand met grote spoed te hervatten en dat een medewerkster van het college in een notitie heeft toegezegd dat de uitkering met spoed weer in orde zou worden gemaakt, zodat appellante binnen een week geld zou krijgen. Zij mocht daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de uitkering zou worden hervat. Het bestreden besluit 1 is daarmee in strijd. De rechtbank heeft dit beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen. Volgens de rechtbank is niet voldaan aan het vereiste dat de toezegging afkomstig is van een tot beslissen bevoegd orgaan. Daarnaast kan ook niet worden gesproken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging, nu in deze notitie slechts wordt geadviseerd om de uitkering met spoed in orde te maken.


4.3.2.

Appellante heeft in hoger beroep bestreden dat de notitie niet afkomstig is van een tot beslissen bevoegd orgaan. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de betreffende medewerkster in dienst was bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag en daarom bevoegd was om te corresponderen en verklaringen af te geven. Het enkele feit dat de medewerkster is vervangen doet niets af aan haar bevoegdheid op het moment van het doen van haar verklaring. Er was niet slechts sprake van een advies. De opmerking “Advies is om met spoed uitk. weer in orde te brengen” wordt immers gevolgd door de tekst “Kl zal binnen 1 week geld krijgen.”


4.3.3.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. In het verweerschrift heeft het college er terecht op gewezen dat het argument dat de betreffende medewerkster “vervangen” zou zijn, nooit is gebruikt. Het gaat erom dat de betreffende medewerkster geen beslisingsbevoegdheid had. Zij maakte deel uit van de zogeheten Advies- en informatiebalie, gehuisvest op de stadsdeelkantoren, en had uitsluitend een adviserende en informerende rol. Daarnaast heeft het college terecht opgemerkt dat de zinsnede “Kl zal binnen 1 week geld krijgen” niet los gezien kan worden van de daaraan voorafgaande zin waarin wordt vermeld dat geadviseerd wordt om de uitkering te herstellen.


4.4.1.

Ten aanzien van de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand heeft appellante aangevoerd dat deze in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Verder beschikt zij niet over de middelen om de vordering te betalen. Appellante heeft gewezen op haar moeilijke persoonlijke en financiële situatie waarbij zij volledig afhankelijk is van haar uitkering.


4.4.2.

Het college heeft terecht vastgesteld dat appellante verplicht was om relevante wijzigingen in haar situatie door te geven en dat de intrekking van haar verblijfsvergunning zo’n relevante wijziging is. Appellante heeft de gegevens hierover pas in januari 2013 overgelegd nadat het college hierom had verzocht bij brief van 9 december 2012. Het is daardoor aan appellante zelf te wijten dat de betaling van de bijstand nog enige tijd is voortgezet nadat zij daarop geen recht meer had omdat haar verblijfsvergunning was ingetrokken. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is daarom geen sprake. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet zoals neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


Aangevallen uitspraak 2


4.5.

Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand ten grondslag gelegd dat zich na de beslissing van 7 februari 2013, waarbij de bijstand van appellante met ingang van 19 oktober 2012 is ingetrokken, geen nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan die een andere beslissing rechtvaardigen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college daarbij ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht en heeft hierin reden gezien om bestreden besluit 2 te vernietigen. Daarbij heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen.


4.6.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.


4.7.

Appellante heeft gesteld dat zij slachtoffer is van mensenhandel en daarvan op 24 januari 2012 aangifte heeft gedaan. Omdat het openbaar ministerie heeft besloten het opsporingsonderzoek te sluiten wegens onvoldoende aanknopingspunten, is appellante op

14 mei 2013 een beklagprocedure in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) begonnen. Dit moet volgens appellante als relevant nieuw feit worden aangemerkt. In afwachting van de beslissing in de beklagprocedure heeft appellante bij de Inlichtingen- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Door de beslissing van de IND niet af te wachten alvorens afwijzend te beslissen op de nieuwe aanvraag om bijstand van appellante heeft het college volgens appellante onzorgvuldig gehandeld.


4.8.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat ten tijde van de aanvraag sprake was van een relevante wijziging van haar omstandigheden die maakt dat zij weer in aanmerking komt voor bijstand. Dat appellante aangifte heeft gedaan van mensenhandel was al in januari 2013 bij het college bekend. Het enkele feit dat appellante een beklagprocedure in de zin van artikel 12 Sv is begonnen kan niet als een relevante wijziging worden aangemerkt. Appellante is de beklagprocedure pas op 14 mei 2013 begonnen, terwijl de aanvraag dateert van 21 februari 2013 en het primaire besluit van 4 april 2013. Overigens heeft de rechtbank terecht overwogen, onder verwijzing naar de geldende regelgeving, dat het instellen van een beklagprocedure er op zichzelf niet toe leidt dat appellante alsnog in aanmerking kan komen voor bijstand. Appellante heeft de vraag van de Raad of zij naderhand alsnog een verblijfsvergunning heeft gekregen ontkennend beantwoord.


4.9.

De beroepsgrond van appellante dat zij dringend behoefte heeft aan financiële bijstand voor levensonderhoud, voor medische behandeling en voor de betaling van huur, slaagt niet. De Raad verwijst hierbij naar wat is overwogen onder 4.2. Voorts heeft de gemachtigde van het college desgevraagd ter zitting verklaard dat de gemeente zo nodig noodopvang verstrekt.


4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.




(getekend) J.C.F. Talman




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD