Centrale Raad van Beroep, 03-09-2015 / 14/4222 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2992

Inhoudsindicatie
Samenloop ziekteverlof en vakantieverlof. Waar tijdens ziekteverlof vakantieverlof wordt opgebouwd, moet tijdens ziekteverlof genoten vakantieverlof ook (kunnen) worden afgeboekt. Of sprake is van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid maakt daarbij geen verschil. De rechtbank heeft het bestreden besluit ten onrechte in zijn geheel vernietigd, nu de korting van het vakantieverlof over 2012 met 21,6 uren niet in geschil is. De brief van 17 januari 2012 is geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, maar informatief van aard. Incidenteel beroep slaagt niet. Mededeling van appellant dat het aantal uren vakantieverlof over 2012 dat in het bestreden besluit is afgeboekt, niet juist is berekend, leidt ertoe dat de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, het beroep gegrond heeft verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-03
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14/4222 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/324
Uitspraak

14/4222 AW, 14/5770 AW, 15/2998 AW

Datum uitspraak: 3 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 juni 2014, 14/545 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. M.H. Welter incidenteel hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 1 december 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft schriftelijk op het besluit van 1 december 2014 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Versloot. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. drs. Welter.

OVERWEGINGEN


1.1.

In artikel 29, aanhef en onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is bepaald dat de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten, verlof geniet.


1.2.

Bij brief van 17 januari 2012 met als onderwerp 'Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen' heeft de minister van Veiligheid en Justitie (minister) aan onder anderen de korpsbeheerders bericht: "Omdat er vanuit het politieveld behoefte is aan toelichting op een aantal rechtspositionele aspecten ten aanzien van de politieambtenaar, die wegens ziekte (gedeeltelijk) niet in staat is zijn functie te vervullen, is met de politievakorganisaties recentelijk overeenstemming bereikt over de in deze brief beschreven "beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen". Hierbij zijn punten aan de orde gesteld waarin de rechtspositie onvoldoende duidelijk is, of er niet in voorziet. Dit heeft geleid tot een nieuw beleid, waarvoor op sommige punten de regelgeving moet worden aangepast. Met deze beleidsregel wordt beoogd om mogelijke onduidelijkheden weg te nemen en daardoor in de korpsen (meer) uniformiteit te bereiken. Een van de onderwerpen die in de brief van 17 januari 2012 aan de orde komen is 'Samenloop ziekteverlof en vakantieverlof'. Onder punt 9 van de brief van

17 januari 2012 is daarover, met verwijzing naar artikel 29 van het Barp, het volgende opgenomen: "Het is niet mogelijk om (...) ziekteverlof en vakantieverlof tegelijkertijd te genieten. De ambtenaar mag, indien het bevoegd gezag daarmee instemt, gedurende het ziekteverlof elders verblijven (dan de gewoonlijke verblijfplaats), bijvoorbeeld voor een vakantie of bezoek aan familieleden in het buitenland. Het ziekteverlof loopt in een dergelijke situatie door en wordt niet stopgezet of opgeschort. Het afboeken van vakantieverlof gedurende volledig ziekteverlof is niet mogelijk; bij gedeeltelijke ziekte is dat uiteraard wel mogelijk".


2.1.

Betrokkene is werkzaam bij de politie. Van 20 maart 2012 tot 20 juni 2013 is zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest. Op 20 juni 2013 heeft zij haar werkzaamheden volledig hervat.

2.2.

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft appellant het vakantieverlof van betrokkene over 2012 vanwege haar arbeidsongeschiktheid met 21,6 uren gekort. Uit de bijlage bij het besluit van

7 mei 2013 blijkt dat voorts over 2012 vakantieverlof is afgeboekt in verband met in de periode van haar arbeidsongeschiktheid genoten vakantie.


2.3.

Bij besluit van 18 december 2013 en 16 januari 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 mei 2013, voor zover daarbij meer vakantieverlof is afgeboekt dan overeenkomt met de mate van haar - gedeeltelijke - arbeidsongeschiktheid, ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat het in overeenstemming is met zowel het arrest van - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hoff e.a., als met de uitspraken van de Raad van 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267, en 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4807, om vakantieverlof af te boeken dat is genoten op dagen waarop de ambtenaar ziekteverlof geniet. Om die reden volgt appellant (op dit punt) niet de 'Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen'.


3. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de brief van 17 januari 2012 een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en dat de korpsbeheerders daaraan gebonden zijn. Zij heeft vervolgens overwogen dat (punt 9 van) de 'Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen' weliswaar voor de ambtenaar gunstiger is dan volgens de jurisprudentie noodzakelijk is, maar dat het de minister en de politievakbonden vrijstaat om in voor de ambtenaar gunstige zin daarvan afwijkend beleid te formuleren. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit - geheel - vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van (punt 9 van) de 'Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen'.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad volgt appellant in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in zijn geheel heeft vernietigd, nu de korting van het vakantieverlof over 2012 met 21,6 uren niet in geschil is.


4.2.

De Raad volgt appellant eveneens in zijn betoog dat de brief van 17 januari 2012 geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb is. De Raad ziet in de brief van 17 januari 2012 niet meer dan een informatieve weergave van de in het Georganiseerd Overleg bereikte overeenstemming tussen enerzijds de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor het tot stand komen van de rechtspositionele regelgeving voor de politie en anderzijds de politievakorganisaties. Dit betekent dat de korpsbeheerders niet gebonden zijn aan de onder punt 9 van de brief van 17 januari 2012 aan artikel 29 van het Barp gegeven uitleg.


4.3.

De Raad acht vervolgens de door appellant aan artikel 29 van het Barp gegeven uitleg juist. Zoals de Raad - zakelijk weergegeven - eerder heeft overwogen (uitspraken van 24 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7452, en 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4807) volgt uit het arrest van het Hof van 20 januari 2009 dat vakantieverlof en ziekteverlof samen kunnen gaan en dat, indien tijdens ziekteverlof vakantieverlof wordt genoten, dit vakantieverlof ook mag worden afgeboekt. De tekst van artikel 29 van het Barp is daarmee ook niet in strijd. Betrokkene heeft er op zichzelf terecht op gewezen dat in oudere rechtspraak van de Raad is geoordeeld dat vakantieverlof en ziekteverlof niet samen kunnen gaan, maar in het licht van het arrest van het Hof van 20 januari 2009 kan deze rechtspraak niet worden gehandhaafd. Waar tijdens ziekteverlof vakantieverlof wordt opgebouwd, moet tijdens ziekteverlof genoten vakantieverlof ook (kunnen) worden afgeboekt. Of sprake is van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid maakt daarbij geen verschil.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt.


4.5.

Het incidenteel hoger beroep, dat is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de werkwijze van appellant niet in strijd is met (de jurisprudentie inzake) artikel 29 van het Barp, slaagt niet.


4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de grondslag aan het besluit van 1 december 2014 komt te ontvallen.


4.7.

Appellant heeft ter zitting van de Raad meegedeeld dat het aantal uren vakantieverlof over 2012 dat in het bestreden besluit is afgeboekt, niet juist is berekend. Dit betekent dat de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, het beroep gegrond heeft verklaard.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de vernietiging van het bestreden besluit betrekking heeft op de korting van het vakantieverlof over 2012 met 21,6 uren, en voor zover de rechtbank appellant heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van (punt 9 van) de 'Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen'. Het besluit van 1 december 2014 moet ambtshalve worden vernietigd. De Raad zal appellant opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen voor zover het betreft het afboeken van vakantieverlof over 2012. Nu over de inhoud van de nieuwe beslissing op bezwaar geen onduidelijkheid kan bestaan, is het geschil met deze opdracht definitief beslecht. De Raad zal verder bepalen dat een

- onverhoopt - beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij hem kan worden ingesteld.


4.9.

Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij (1) het besluit van 18 december 2013

en 16 januari 2014 is vernietigd voor zover het de korting van het vakantieverlof over 2012

met 21,6 uren betreft en (2) opdracht is gegeven om met inachtneming van de 'Beleidsregel

ziekte en afwezigheidsvormen' een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

- vernietigt het besluit van 1 december 2014;

- draagt appellant op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de

aanwijzingen in deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Centrale

Raad van Beroep kan worden ingesteld.



Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en C.H. Bangma en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2015.





(getekend) T.G.M. Simons




(getekend) J.L. Meijer




HD