Centrale Raad van Beroep, 03-09-2015 / 14/6935 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2993

Inhoudsindicatie
Beoordeling. Als een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten. Dat de in dit geval voorliggende beoordeling niet goed genoeg is voor doorstroming van appellante naar de functie van senior GGP, levert geen grond op om de bewijslast ook in dit geval bij de korpschef te leggen. Om aannemelijk te maken dat een nog positiever oordeel op zijn plaats was geweest, was het aangewezen geweest om, zo mogelijk aan de hand van voorbeelden, te laten zien dat het functioneren van appellante boven die eisen uit is gestegen. Vastgesteld moet worden dat appellante niets concreets in die richting heeft aangedragen. Ook de in het besluit van 12 januari 2015 gegeven nieuwe potentieelbeoordeling kan in rechte standhouden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-03
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14/6935 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/6935 AW, 15/1350 AW

Datum uitspraak: 3 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

7 november 2014, 14/117 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kromhout. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M. Meuser.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 12 januari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft daarop een reactie gegeven.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam als [naam functie A] in het district [naam district], basiseenheid [naam basiseenheid].


1.2.

Met het oog op een in het kader van het loopbaanbeleid gebiedsgebonden politie (GGP) in te dienen verzoek om door te stromen naar een [naam functie B], is op verzoek van appellante op 3 september 2012 een beoordeling vastgesteld van haar functioneren gedurende de periode van 1 oktober 2010 tot 1 maart 2012. Het functioneren van appellante is op de vier hoofdonderdelen “Functievervulling”, “Resultaatafspraken”, “Competenties” en “Overige afspraken” beoordeeld met een score 3 (voldoende). Alle subonderdelen in de beoordeling zijn met een score 3 beoordeeld, behoudens het tot het hoofdonderdeel “Competenties” behorende subonderdeel “Kwaliteitsgerichtheid”, dat met een score 4 (vertoont het gedrag boven het normniveau) is beoordeeld.


1.3.

Appellante heeft tegen de beoordeling bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 december 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef, voor zover hier van belang, dit bezwaar gegrond verklaard voor zover dit betrof het ontbreken van een potentieelbeoordeling met daarin opgenomen een uitspraak over de verwachte geschiktheid voor de [naam functie B], en voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij is een potentieelbeoordeling aan de beoordeling toegevoegd.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, behoudens voor wat betreft de subonderdelen “Opsporing” en “Motorrijder”, dit vanwege het ontbreken van een toelichting op het niveau van het functioneren van appellante op die subonderdelen. De rechtbank heeft daarnaast de potentieelbeoordeling onvoldoende inzichtelijk geacht, dit omdat de daarin opgenomen eindconclusie kennelijk was gegrond op kritiek op het huidige functioneren van appellante, en niet, zoals wordt voorgeschreven door de Uitvoeringsafspraken loopbaanbeleid GGP (HAP II) en het Protocol potentieelbeoordeling, op een beoordeling van de competenties die horen bij de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP.


2.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 12 januari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarin is een nadere motivering van de beoordeling op de punten “Opsporing” en “Motorrijder” opgenomen. Verder is daarbij een nieuwe potentieelbeoordeling vastgesteld.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Appellante bestrijdt niet de door de rechtbank aanwezig geachte gebreken in de beoordeling, maar zij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling afgezien van die gebreken stand kan houden. Het geschil in hoger beroep is dus tot dat oordeel beperkt.


3.1.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7050) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dit oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.


3.1.2.

In dit geval is geen sprake van negatieve oordelen, maar is het functioneren van appellante als voldoende, en dus positief, beoordeeld. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat als een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, het op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten. Dat de in dit geval voorliggende beoordeling niet goed genoeg is voor doorstroming van appellante naar de functie van senior GGP, levert geen grond op om de bewijslast ook in dit geval bij de korpschef te leggen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2547.


3.1.3.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat, afgezien van de subonderdelen “Opsporing’ en “Motorrijder”, de bij de verschillende subonderdelen opgenomen toelichtingen de op die subonderdelen toegekende scores kunnen dragen. Het overwogene onder 3.1.2 in aanmerking genomen, kan appellante niet worden gevolgd in haar standpunt dat de korpschef op ieder subonderdeel waarop een score 3 is gegeven, expliciet had moeten toelichten waarom niet voor een score 4 is gekozen. Dat appellante, zoals zij zelf stelt, door het ontbreken van zulke toelichtingen in bewijsnood is komen te verkeren valt niet in te zien. Haar functioneren is als zijnde conform de functie-eisen beoordeeld. Om aannemelijk te maken dat een nog positiever oordeel op zijn plaats was geweest, was het aangewezen geweest om, zo mogelijk aan de hand van voorbeelden, te laten zien dat het functioneren van appellante boven die eisen uit is gestegen. Vastgesteld moet worden dat appellante niets concreets in die richting heeft aangedragen.


3.1.4.

Appellante heeft, onder verwijzing naar beoordelingen van collega’s, nog aangevoerd dat het hoofdonderdeel “Resultaatafspraken” in de beoordeling onvoldoende is uitgewerkt in subonderdelen. Wat hiervan op zichzelf beschouwd ook zij, vastgesteld moet worden dat uitbreiding van genoemd hoofdonderdeel met de door appellante gewenste subonderdelen het totaalbeeld van de beoordeling niet anders zou maken, zelfs niet als een score 4 op de bewuste, nieuw toe te voegen subonderdelen aan de orde zou zijn. Opgemerkt wordt daarbij dat voor doorstroming naar de functie van senior GGP een beoordeling nodig was geweest met een score 4 op tenminste twee van de drie hoofdonderdelen “Functievervulling”, “Resultaatafspraken” en “Competenties”.


3.1.5.

Het totale beeld van de beoordeling, voor zover in geschil in hoger beroep, kan dus de toets als omschreven onder 3.1.1 doorstaan. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.


3.2.

Het besluit van 12 januari 2015 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, in de beoordeling betrokken.


3.2.1.

In het besluit van 12 januari 2015 is nader toegelicht hoe appellante op de subonderdelen “Opsporing” en “Motorrijder” heeft gefunctioneerd. Daarmee zijn de toegekende scores toereikend onderbouwd. Dat de toelichting bij het subonderdeel “Motorrijder” een opmerking bevat over het aantal door appellante uitgeschreven bekeuringen, maakt niet dat niet ook andere aspecten van het functioneren van appellante op dit subonderdeel zijn bekeken; de toelichting geeft nadrukkelijk blijk van het tegendeel. Appellante heeft ook wat betreft de hier aan de orde zijnde subonderdelen niet aannemelijk gemaakt dat de toegekende scores te laag zijn. In zoverre is het besluit van 12 januari 2015, kortom, niet rechtens onhoudbaar te achten.


3.2.2.

Ook de bij het besluit van 12 januari 2015 gegeven nieuwe potentieelbeoordeling kan in rechte standhouden. Deze beziet, conform de opdracht van de rechtbank, uitsluitend die tot de seniorfunctie behorende werkzaamheden en competenties die van de huidige functie van appellante afwijken. Aan appellante kan worden toegegeven dat de potentieelbeoordeling een aantal duidelijk positieve kwalificaties bevat. Daar staan echter ontwikkelpunten tegenover op belangrijke aandachtsgebieden als houding en initiatief. De eindconclusie dat appellante nog niet geschikt is te achten voor de [naam functie B] kan daarmee door de inhoud van de potentieelbeoordeling worden gedragen. Dat de aanwezigheid van ontwikkelpunten volgens de Uitvoeringsafspraken loopbaanbeleid GGP (HAP II) niet in de weg hoeft te staan aan een geschiktheidsoordeel voor de seniorfunctie, maakt niet dat dergelijke ontwikkelpunten, afhankelijk van hun aard en zwaarte, niet ook als een beletsel voor die verwachte geschiktheid mogen worden gezien. Op het punt van de uiteindelijke weging van de ontwikkelpunten kan aan de beoordelaar een zekere mate van vrijheid niet worden ontzegd.


3.2.3.

Het beroep tegen het besluit van 12 januari 2015 moet ongegrond worden verklaard.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 januari 2015 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) S.W. Munneke




HD