Centrale Raad van Beroep, 03-09-2015 / 14/3235 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2994

Inhoudsindicatie
1) Bevoegdheid drumles te geven. Betrokkene en P hebben dezelfde HBO-opleiding afgerond, namelijk de conservatoriumopleiding Slagwerk, beiden hebben een aanstelling als docent en beiden hebben sinds hun aanstelling zowel slagwerk- als drumlessen gegeven. Appellant heeft P bevoegd geacht tot het geven van drumlessen. Appellant heeft niet aangetoond dat P over verdergaande kwalificaties voor het geven van drumlessen beschikt dan betrokkene. Besluit 1 berust niet op een deugdelijke motivering. 2) Deeltijdontslag. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat aan betrokkene, als hij ook zou zijn ingezet voor het geven van drumlessen, niettemin deeltijdontslag voor 17,7 uren per week zou kunnen worden verleend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-03
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14/3235 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/3235 AW, 14/3236 AW

Datum uitspraak: 3 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

25 april 2014, 12/2075 en 13/1981 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (appellant)

[Betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R. Verkijk een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Duren, drs. J.J. Ruijssenaars en M.J.H. Vennix. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Verkijk.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene is sinds 1998 werkzaam als [naam functie] bij de gemeente Maastricht, dienst [naam dienst], afdeling [naam afdeling].


1.2.

Binnen [naam afdeling] is een onderscheid gemaakt tussen de vakgroep “slagwerk” en de vakgroep “drums”. Volgens appellant heeft de splitsing van vakgroepen plaatsgevonden in het cursusjaar 2000-2001. Betrokkene is door appellant ingedeeld bij de vakgroep “slagwerk” en niet (ook) bij de vakgroep “drums”.


1.3.

Betrokkene heeft zich onder verwijzing naar zijn opleiding aan het conservatorium op het standpunt gesteld dat hij ook bevoegd is tot het geven van drumlessen en dat hij vanaf het begin van zijn aanstelling zowel leerlingen slagwerk als leerlingen drums heeft begeleid. In het kader van mediation tussen betrokkene en de toenmalige directeur van de dienst, T, heeft T bij schrijven van 25 maart 2010 aan betrokkene een tweetal zaken meegedeeld. Het ging om een bevestiging van de aanpak van de zogenoemde holle tijd in de muziekschool van [naam afdeling] en een nadere toelichting/beschrijving van de leerlingenplaatsing van de vakgroepen “slagwerk” en “drums”. Op 12 december 2011 heeft appellant toegezegd duidelijkheid te verschaffen over het wel of niet mogen geven van drumlessen.


1.4.

Appellant heeft in 2012 onderzoek verricht naar de aanstellingen van de docenten slagwerk en daarbij de diploma’s en de daarop betrekking hebbende correspondentie bekeken. Uit dit onderzoek komt naar voren dat alle docenten zijn aangesteld als [naam functie] en dat eerder binnen [naam afdeling] is besloten dat alleen docenten die daartoe bevoegd zijn, drumles mogen geven. Op basis van een aantekening op het diploma zijn twee docenten slagwerk bevoegd tot het geven van drumles. Betrokkene heeft geen aantekening op zijn diploma waaruit de bevoegdheid tot het geven van drumles blijkt. Om die reden is bij besluit van

7 juni 2012 besloten dat betrokkene ‘geen structurele drumles’ mag geven. Bij besluit van

16 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van

7 juni 2012 ongegrond verklaard.


1.5.

Bij besluit van 2 november 2012 heeft appellant in de zogenoemde tienwekenbrief aan betrokkene bekend gemaakt op welke wijze in het cursusjaar 2012-2013 op basis van het aantal aanmeldingen van leerlingen invulling aan zijn benoeming wordt gegeven. Daarbij is bekendgemaakt dat betrokkene 764,39 uren holle tijd op jaarbasis heeft; dat is tijd waarin er voor betrokkene geen werk is, omdat er onvoldoende leerlingen zijn. Op termijn kan holle tijd leiden tot (deeltijd)ontslag. In de tienwekenbrief is eveneens de afvloeiingsvolgorde voor de vakgroep slagwerk bekendgemaakt.


1.6.

Appellant heeft, nadat betrokkene schriftelijk zijn zienswijze over het voornemen daartoe had gegeven, betrokkene bij besluit van 14 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2013 (bestreden besluit 2), met ingang van 1 januari 2014 deeltijdontslag verleend voor 17,7 uren per week op grond van artikel 8.3 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Maastricht (AGM).


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en appellant opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen.


2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep tegen bestreden besluit 1 voor zover betrokkene dat heeft gegrond op strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat betrokkene en zijn collega P dezelfde opleiding hebben genoten aan het conservatorium tot [naam functie]. Beiden hebben het vrijwillige bijvak “drums” gevolgd. Anders dan betrokkene heeft P na het behalen van zijn diploma een aparte verklaring laten opstellen door de toenmalige directeur van het conservatorium met betrekking tot het feit dat hij het bijvak “drums” heeft gevolgd, de zogenoemde aantekening bijzondere eisen lichte muziek. De rechtbank hecht aan die achteraf aan P afgegeven verklaring echter minder waarde dan appellant daaraan toekent, omdat bij de opleiding geen onderscheid werd gemaakt tussen “slagwerk” en “drums” en beiden aldus bevoegd zijn drumles te geven. De rechtbank gaat niet mee in het verweer van appellant dat het onderscheid tussen slagwerk en drums zijn oorsprong vindt in een wijziging van de opleidingen en studierichtingen aan het conservatorium rond 2000, waarbij een splitsing is aangebracht tussen enerzijds “slagwerk”(algemeen/klassiek) en anderzijds “drums”(pop/jazz). De rechtbank ziet niet in dat een wijziging van de opleiding binnen het conservatorium consequenties kan hebben voor de bevoegdheid van betrokkene tot het geven van drumles. Appellant heeft verder nog een beroep gedaan op afspraken over leerlingenplaatsing van de vakgroepen “slagwerk” en “drums” die op 25 maart 2010 zijn vastgelegd in het kader van mediation tussen betrokkene en de toenmalige directeur van appellant, T. Volgens de rechtbank is betrokkene niet aan dit stuk gebonden, aangezien het enkel de visie van T weergeeft en omdat het hier naar de opzet geen vaststellingsovereenkomst betreft.


2.3.

Wat betreft het beroep in het kader van het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank op grond van het onder 2.2 weergegeven oordeel ten aanzien van bestreden besluit 1 geoordeeld dat betrokkene op grond van zijn diploma bevoegd is om drumles te geven. Dit heeft als gevolg dat betrokkene ook kan worden ingezet voor het geven van drumlessen, waardoor hij wellicht minder dan 17,7 uren per week holle tijd heeft. Het bestreden besluit 2 kan daarom, gelet op het aantal uren waarvoor deeltijdontslag wordt verleend, niet in stand blijven.


3. Appellant heeft met instemming van betrokkene vooralsnog geen uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak en geen nieuwe beslissingen op bezwaar genomen.


4. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.


Bevoegdheid drumles te geven (bestreden besluit 1)


4.1.

In artikel 19:b:3, eerste lid, van de AGM is bepaald dat een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de functie van docent (…) in het bezit is van een diploma van een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied.


4.2.

Niet in geschil is dat betrokkene en P dezelfde HBO-opleiding hebben afgerond, namelijk de conservatoriumopleiding Slagwerk, dat beiden een aanstelling hebben als docent en beiden sinds hun aanstelling zowel slagwerk- als drumlessen hebben gegeven. Appellant heeft P bevoegd geacht tot het geven van drumlessen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aangetoond dat P over verdergaande kwalificaties voor het geven van drumlessen beschikt dan betrokkene. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit 1 niet berust op een deugdelijke motivering. Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd kan, gelet op het vorenstaande, buiten bespreking blijven.


Deeltijdontslag (bestreden besluit 2)


4.3.

In artikel 19b:16 van de AGM is over overtolligheid bepaald dat appellant uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt of het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.


4.4.

In artikel 8:3 van de AGM is, voor zover van belang, over het ontslag wegens reorganisatie bepaald dat ontslag aan de ambtenaar kan worden verleend wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten en dat dit ontslag ook gedeeltelijk kan worden verleend. Ontslag op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.


4.5.

Op grond van het bepaalde in artikel 19b:17, eerste lid, onder c, van de AGM wordt de ontslagvolgorde bepaald op basis van het afspiegelingsbeginsel in combinatie met het anciënniteitsbeginsel.


4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat uit het enkele feit dat de rechtbank betrokkene bevoegd of gerechtigd acht tot het geven van drumles, nog niet volgt dat betrokkene ook tot docent drums moet worden benoemd en dat er ook geen vacature was voor docent drums. Appellant heeft aan deze grond de splitsing van de oorspronkelijke vakgroep slagwerk in een vakgroep slagwerk en een vakgroep drums ten grondslag gelegd. De Raad volgt appellant echter niet in zijn betoog, omdat een splitsing van de vakgroep als zodanig geen gevolgen voor de functie van betrokkene heeft (gehad). In het tot 1 januari 2009 geldende reglement benoembaarheidseisen is bepaald dat als één type van instrumenten worden beschouwd “slaginstrumenten, voor wat betreft het type slagwerk: alle slaginstrumenten”. De Raad leidt daaruit af dat bij de aanstelling van betrokkene als [naam functie] daaronder mede werd begrepen docent drums. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, volgt dat betrokkene evenals P bevoegd was tot het geven van drumles, zodat betrokkene het aantal uren holle tijd wellicht daarmee gedeeltelijk kon verminderen.


4.7.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat als moet worden aangenomen dat betrokkene ook behoorde tot de vakgroep drums, hij dan gelet op de afvloeiingsvolgorde eveneens als eerste voor ontslag in aanmerking zou komen. Appellant stelt op basis daarvan dat het verleende deeltijdontslag en dus ook het bestreden besluit in stand hadden moeten blijven. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene wellicht minder holle tijd zou hebben gehad als hij naast [naam functie] ook als docent drums had kunnen worden ingezet, is volgens appellant op niets gebaseerd, inhoudelijk onjuist en dus ondeugdelijk gemotiveerd. Ter zitting heeft de Raad, onder verwijzing naar de in 4.3 tot en met 4.5 vermelde bepalingen, appellant gevraagd uiteen te zetten hoe de ontslagvolgorde wordt bepaald in het kader van een reorganisatie-ontslag wegens overtolligheid. Appellant is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat aan betrokkene, als hij ook zou zijn ingezet voor het geven van drumlessen, niettemin deeltijdontslag voor 17,7 uren per week zou kunnen worden verleend. De Raad volgt de rechtbank daarom in haar oordeel tot vernietiging van het bestreden besluit 2 met de opdracht aan appellant een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.


4.8.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.C.D. Embregts en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) S.W. Munneke




HD