Centrale Raad van Beroep, 03-09-2015 / 14/3033 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2995

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om doorstroming naar een seniorfunctie in de gebiedsgebonden politie. Beoordeling. Als een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten en hoger hadden moeten zijn. Dat de in dit geval voorliggende beoordeling niet goed genoeg is voor doorstroming van appellant naar de functie van senior GGP levert geen grond op om de bewijslast in gevallen als deze ook bij het bestuursorgaan te leggen. Om aannemelijk te maken dat een nog positiever oordeel op zijn plaats was geweest, was het aangewezen geweest om, zo mogelijk aan de hand van voorbeelden, te laten zien dat het functioneren boven die eisen uit is gestegen. Vastgesteld moet worden dat appellant niets concreets in die richting heeft aangedragen en heeft volstaan met het leveren van kritiek op de scores.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-03
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14/3033 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3033 AW

Datum uitspraak: 3 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

23 april 2014, 13/3098 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kromhout. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M. Meuser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam in de functie van [naam functie] in het team [naam team] van de politieregio [politieregio] .


1.2.

Op 13 augustus 2012 heeft appellant verzocht om doorstroming naar een seniorfunctie in de gebiedsgebonden politie (GGP). In verband hiermee is over de periode van 1 november 2010 tot 6 november 2012 een beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant. Op de hoofdonderdelen ‘functievervulling’, ‘resultaatafspraken’, ‘competenties’ en ‘andere afspraken’ is het functioneren gewaardeerd met een score 3 (voldoende). Op het merendeel van de subonderdelen in de beoordeling is het functioneren beoordeeld met een score 3 en op vier subonderdelen met een score 4. De eindconclusie van de beoordeling is eveneens een 3. Beoordelaar B heeft aan het slot van het beoordelingsformulier vermeld dat hij appellant nog niet in staat acht om een functie als senior medewerker GPP te vervullen. De beoordeling is op 22 maart 2013 vastgesteld.


1.3.

Bij besluit van 4 september 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2013 ongegrond verklaard. De motivering van het oordeel van B over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior medewerker GGP is aangevuld met de in bezwaar door B hierop gegeven nadere toelichting.


2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant de onder 2 vermelde beslissing van de rechtbank op de hierna te bespreken gronden bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.


4.2.

In dit geval zijn geen negatieve oordelen gegeven, maar is het functioneren van appellant op alle (sub)onderdelen en over het geheel (ten minste) als voldoende, en dus positief, gewaardeerd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat als een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, het op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten en hoger hadden moeten zijn. Dat de in dit geval voorliggende beoordeling niet goed genoeg is voor doorstroming van appellant naar de functie van senior GGP levert geen grond op om de bewijslast in gevallen als deze ook bij het bestuursorgaan te leggen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2547.


4.3.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bij de verschillende subonderdelen opgenomen toelichtingen de op die subonderdelen toegekende scores kunnen dragen. Gelet

op 4.2 kan appellant niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de korpschef op ieder subonderdeel waarop een score 3 is gegeven, expliciet had moeten toelichten waarom niet voor een score 4 is gekozen. Niet valt in te zien dat appellant, zoals hij stelt, door het ontbreken daarvan in bewijsnood is komen te verkeren omdat niet duidelijk is waaraan hij moet voldoen om een score 4 te krijgen. Appellant functioneert volgens de beoordeling op het niveau van zijn functie. Om aannemelijk te maken dat een nog positiever oordeel op zijn plaats was geweest, was het aangewezen geweest om, zo mogelijk aan de hand van voorbeelden, te laten zien dat het functioneren boven die eisen uit is gestegen. Vastgesteld moet worden dat appellant niets concreets in die richting heeft aangedragen en heeft volstaan met het leveren van kritiek op de scores.


4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn collega’s B en P ten onrechte niet als informant bij de beoordeling zijn betrokken. Hoewel het inschakelen van informanten in het van toepassing zijnde Reglement Beoordeling niet is voorgeschreven en appellant geen informanten heeft aangedragen, heeft de korpschef de in een e-mail neergelegde visie van collega B en collega P bij de heroverweging van de beoordeling betrokken. De Raad deelt het standpunt van de korpschef dat deze e-mail bevestigt wat in de beoordeling is vermeld en geen grond biedt om deze aan te passen. Ook B en P schetsen immers een positief beeld van het functioneren met enkele aandachtspunten.


4.5.

De - na bezwaar aangevulde - beoordeling van de verwachte geschiktheid van appellant voor de seniorfunctie heeft betrekking op de afwijkende taken in die functie op het gebied van coördinatie, begeleiding, functioneel leidinggeven bij incidenten en uitgebreidere contacten en op de extra eisen aan de competenties integriteit en communicatieve vaardigheden. B heeft in zijn bespreking van deze onderdelen naast positieve kwalificaties ook punten geformuleerd die (nog) onvoldoende zijn ontwikkeld. Daarbij gaat het onder andere om het stellen van prioriteiten en het bewaken van de grenzen van de opgedragen activiteiten en om houdingsaspecten. Het oordeel van B dat appellant nog niet geschikt is voor de seniorfunctie kan door de daarop gegeven toelichting worden gedragen.


4.6.

Zoals appellant terecht heeft aangevoerd, hoeft de aanwezigheid van ontwikkelpunten volgens de Uitvoeringsafspraken loopbaanbeleid GGP (HAP II) niet in de weg te staan aan een geschiktheidsoordeel voor de seniorfunctie. Dat betekent echter niet dat dergelijke ontwikkelpunten, afhankelijk van hun aard en zwaarte, niet ook als een beletsel voor die verwachte geschiktheid mogen worden gezien. Op het punt van de uiteindelijke weging van de ontwikkelpunten kan aan de beoordelaar een zekere mate van vrijheid niet worden ontzegd.


4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat de - bij het bestreden besluit gehandhaafde - beoordeling van het functioneren van appellant en het daarbij gegeven oordeel over zijn verwachte geschiktheid voor de functie senior GGP in rechte standhouden.


4.8.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover deze is aangevochten.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) S.W. Munneke




HD