Centrale Raad van Beroep, 02-09-2015 / 14-2724 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3009

Inhoudsindicatie
Korting op uitkering. Geen in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de twintig uur die appellant per week voor [werkgever B] werkte, geen gevolg voor zijn WW-uitkering zou hebben. Ook is overigens niet gebleken dat in de KCC-contacten ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan over de omvang van het recht op WW-uitkering van appellant op 3 december 2012. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-02
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14-2724 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2724 WW

Datum uitspraak: 2 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 april 2014, 13/3415 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Jong hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Tevens heeft zijn echtgenote, [naam echtgenote], namens hem het woord gevoerd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als [naam functie] sedert 1 augustus 1977 in dienst geweest van (een rechtsvoorganger) van [naam werkgever] In verband met een reorganisatie is zijn functie per 1 juli 2012 vervallen. In een vaststellingsovereenkomst van 20 februari 2012 hebben appellant en zijn werkgeefster afspraken neergelegd over het einde van het dienstverband en is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt per

1 december 2012.


1.2.

In verband met de mogelijke aanvang van werkzaamheden als [naam functie B] bij een andere werkgever heeft appellant telefonisch informatie gevraagd en verkregen van het Uwv.


1.3.

Op 31 oktober 2012 heeft appellant een arbeidsovereenkomst gesloten met Taxibedrijf [naam wergever B] ([werkgever B]). Op grond van die overeenkomst is hij op

4 november 2012 in dienst van [werkgever B] getreden. Vanaf 4 november 2012 heeft appellant twintig uur per week voor [werkgever B] gewerkt.


2. Op 4 november 2012 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 12 december 2012 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 december 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 40 uur per week en gebaseerd op een dagloon van

€ 193,09 per dag. In verband met gewerkte uren voor [werkgever B] heeft het Uwv 20 uren op die uitkering in mindering gebracht.


3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 december 2012. Bij besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat de functie van appellant was vervallen per 1 juli 2012 en dat de werkgever vanaf dat moment geen werk meer beschikbaar had gesteld en dat daarmee 1 juli 2012 bepalend was voor de periode waarover het voor hem geldende GAA wordt berekend. Uitgaande van 26 weken voorafgaand aan het urenverlies heeft appellant volgens het Uwv steeds 40 uur per week gewerkt. Omdat hij sinds 4 november 2012 weer voor twintig uur per week werkte werd appellant volgens het Uwv per 3 december voor twintig uur per week werkloos. Naar de mening van het Uwv was er geen sprake van dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat uit de gegevens over het telefonisch contact van appellant met het Uwv slechts globaal duidelijk was wat er was besproken. Er was niet aangetoond dat een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging was gedaan.


4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het Uwv uit had moeten gaan van 1 december 2012 als de datum waarop het urenverlies was ingetreden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een bevoegdelijk gedane ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging voorafgaand aan de indiensttreding van appellant bij [werkgever B].


5.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat terecht de datum van 1 december 2012 als datum moet worden genomen voor de bepaling van de omvang van zijn werkloosheid. Daarbij moeten alle uren die hij werkzaam was worden meegenomen, dus ook de werkzaamheden uit het dienstverband met [werkgever B]. Dat betekent dat uitgegaan moet worden van meer dan 40 gewerkte uren per week. Daarnaast stelt appellant dat door het Uwv uitdrukkelijke toezeggingen zijn gedaan waarop hij mocht afgaan.


5.2.

In verweer in hoger beroep heeft het Uwv ingestemd met het oordeel van de rechtbank dat uitgegaan moet worden van de datum van 1 december 2012 als het eerste moment waarop voor appellant sprake is van het urenverlies. Met inachtneming daarvan heeft het Uwv het GAA bepaald op 43. Appellant werkte op 3 december 2012 twintig uur, dus verloor hij

23 uur. Het Uwv zal daarom nog een nabetaling verrichten en de wettelijke rente daarover vergoeden. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft het Uwv herhaald dat door medewerkers van het Uwv geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan. Het Uwv heeft ten aanzien van het recht geen nieuw, vervangend, besluit met een inhoud als hiervoor weergegeven genomen, maar heeft de Raad ter zitting verzocht zelf in de zaak te voorzien.


6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


6.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 4.1 en 4.2 van de aangevallen uitspraak.


6.2.

Dat het Uwv de omvang van de werkloosheid bij het bestreden besluit verkeerd heeft beoordeeld is niet langer in geschil, terwijl appellant geen gronden heeft tegen de omvang zoals die is neergelegd in het nadere standpunt van het Uwv. Thans resteert nog slechts de vraag of het beroep van appellant op een door het Uwv gewekt vertrouwen, dat een ongekorte uitkering zou worden verstrekt, moet worden gehonoreerd.


6.3.1.

Appellant heeft zich in de periode voorafgaand aan het intreden van zijn werkloosheid georiënteerd op een functie als [naam functie B] en had in dat verband vragen over welke gevolgen het verrichten van werkzaamheden zou hebben op een WW-uitkering. Daartoe heeft appellant een aantal malen telefonisch contact opgenomen met het klantencontactcentrum (KCC) van het Uwv. Het KCC heeft onder meer tot functie om informatie te verstrekken. Uit de aard van die functie vloeit voort dat die informatie een algemeen karakter heeft nu niet alle relevante aspecten van een mogelijk recht op WW-uitkering in een telefonisch gesprek aan de orde kunnen komen.


6.3.2.

Appellant heeft verwezen naar twee zinnen uit de KCC-contacthistorie van

21 augustus 2012 waarin is opgenomen: ‘Als u al werkte voor uw WW-uitkering dan worden deze inkomsten niet gekort. De uren geeft u wel door op uw Inkomstenformulier WW.’

Deze zinnen zijn onderdeel van algemene informatie op een algemeen geformuleerde vraag “Ik ga weer werken. Hoe wordt er dan gekort op mijn WW-uitkering?”. Dat antwoord begint met: “Als u weer (gedeeltelijk) aan het werk gaat, bekijken wij of u nog de WW-uitkering krijgt. Afhankelijk van hoelang u al een WW-uitkering krijgt, kan er sprake zijn van urenaftrek of inkomstenaftrek (IKAR)” . De KCC-contacthistorie van 1 november 2012 laat vervolgens zien dat appellant die dag opnieuw heeft gebeld. Als algemeen antwoord op de algemeen geformuleerde vraag ”Ik ga reeds bestaande uren uitbreiden. Hoe wordt er dan gekort op mijn WW-uitkering?” is vermeld: “Als u meer uren gaat werken, kan uw

WW-uitkering (gedeeltelijk) beëindigd worden. Per welke datum gaat u meer uren werken?” Niet duidelijk is wat appellant in die contacten precies over zijn situatie heeft gezegd aan de medewerkers van het KCC en of hij kenbaar heeft gemaakt dat hij toen nog niet werkloos was. Evenmin is duidelijk of het antwoord vermeld in de KCC-contacthistorie van

21 augustus 2012 in deze bewoordingen aan appellant is medegedeeld. Anders dan appellant heeft gesteld is met het antwoord zoals weergegeven in de KCC-contacthistorie van

21 augustus 2012 geen in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de twintig uur die hij per week voor [werkgever B] werkte, geen gevolg voor zijn WW-uitkering zou hebben. Ook is overigens niet gebleken dat in de KCC-contacten ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan over de omvang van het recht op WW-uitkering van appellant op

3 december 2012. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.


6.4.

Gelet op het hiervoor overwogene en met inachtneming van hetgeen het Uwv in hoger beroep, als weergeven onder 5.2 heeft gesteld, komt appellant met ingang van 3 december 2012 in aanmerking voor een WW-uitkering gebaseerd op een GAA van 43 uur, met een verlies van 23 uur en een (maximum) dagloon van € 193,09 per dag. Aldus zal worden bepaald.


6.5.

De rechtbank heeft op onjuiste gronden de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom in zoverre worden vernietigd.


6.6.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Die kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep van € 980,- en, nu het besluit van

12 december 2012 niet langer wordt gehandhaafd, van € 980,- in bezwaar, in totaal daarom

€ 1960,-. De door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling in beroep blijft in stand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit

van 15 april 2013 in stand zijn gelaten;

- stelt het recht van appellant op WW-uitkering vast, zoals vermeld onder 6.4, en bepaalt dat

deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 15 april 2013;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) V. van Rij




AP