Centrale Raad van Beroep, 02-09-2015 / 14-65 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:3016

Inhoudsindicatie
Geen sprake van een situatie waarbij voor het college de positieve verplichting geldt om appellant op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opvang te bieden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-02
Publicatiedatum
2015-09-07
Zaaknummer
14-65 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/65 WMO

Datum uitspraak: 2 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

18 december 2013, 13/3194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer, mr. J. Sprakel en mr. J. Klaas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Oepkes, E.J.W. Bruinsma en J. Braat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren [in] 1979, is afkomstig uit Tibet en is in juni 2011 Nederland binnengekomen. Hij heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan, maar deze is afgewezen. Appellant is uitgeprocedeerd en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.


1.2.

Op 6 juli 2012 heeft appellant bij het college een aanvraag ingediend voor onder meer maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het college deze aanvraag afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 13 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2013 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college onder meer overwogen dat geen noodzaak bestaat om appellant toe te laten tot de maatschappelijke opvang, dan wel om appellant leefgeld te verstrekken om zelf in opvang te kunnen voorzien.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant in de periode van belang over onderdak beschikte, waardoor er voor het college geen noodzaak bestond om appellant toe te laten tot de maatschappelijke opvang, dan wel om appellant leefgeld te verstrekken om zelf in opvang te kunnen voorzien.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het college hem maatschappelijke opvang moet bieden, omdat hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat appellant op grond van het bepaalde in de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang. In zijn uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, heeft de Raad uiteengezet hoe de bevoegdheden terzake van de opvang van vreemdelingen verdeeld zijn sinds de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

22 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2099, 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:86, en 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722. Ingevolge de uitspraak van de Raad van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, geldt deze bevoegdheidsverdeling voor aanvragen om maatschappelijke opvang die gedaan zijn na 24 februari 2014, omdat de nieuwe verdeling toen voldoende vaste vorm had aangenomen en aanvragers daarmee voor die tijd niet bekend konden zijn. Dit betekent dat op de beoordeling van de aanspraken van appellant nog het recht van toepassing is, zoals dat voor de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014 gold.


4.2.

De Raad is op grond van het navolgende van oordeel dat in de situatie van appellant geen sprake is van een situatie waarbij voor het college de positieve verplichting geldt om appellant op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opvang te bieden.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de periode van belang de periode van 6 juli 2012 tot en met 13 mei 2013 betreft. Gedurende deze periode is niet gebleken van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid bij appellant. Appellant heeft in die periode veelal de beschikking gehad over een kamer in de woning van mevrouw [naam D.], aan de [adres A], te [woonplaats]. Daarnaast heeft appellant verbleven op een of meerdere adressen binnen de Tibetaanse gemeenschap in Amsterdam. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak ontbrak om appellant toe te laten tot de maatschappelijke opvang, dan wel om appellant leefgeld te verstrekken om zelf in opvang te kunnen voorzien.


4.4.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.








BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) W. de Braal




AP