Centrale Raad van Beroep, 16-01-2015 / 12-6312 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:302

Inhoudsindicatie
Loonaanvullingsuitkering. Eerst in hoger beroep heeft het Uwv de door hem in de FML aangenomen beperking op het aspect frequent buigen voldoende toegelicht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-16
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
12-6312 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6312 WIA

Datum uitspraak: 16 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

26 oktober 2012, 12/806

Partijen:

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene], te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L. Goudkade een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. Namens betrokkene is mr. M. Degelink verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene, laatstelijk werkzaam als chauffeur, is in 2005 uitgevallen in verband met darmklachten (ziekte van Crohn). Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft appellant betrokkene met ingang van 21 november 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij besluit van 22 juli 2009 heeft appellant deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Daarbij werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%.


1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft een verzekeringsarts van appellant betrokkene op 29 april 2011 onderzocht en bij appellant beperkingen vastgesteld in verband met hartritmestoornissen, Morbus Crohn en gewrichtspijn in de nek, knie en rug. De mogelijkheden en beperkingen van betrokkene zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 april 2011. Het op basis van deze FML uitgevoerde arbeidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 15 juni 2011 moet worden vastgesteld op 68,91%. Bij besluit van 20 juni 2011 heeft appellant vastgesteld dat de loonaanvullingsuitkering van betrokkene niet verandert, maar dat voor hem na 24 kalendermaanden een inkomenseis zal gelden van € 390,11 per maand.


1.3.

Naar aanleiding van het namens betrokkene tegen het besluit van 20 juni 2011 gemaakte bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van appellant de FML naar aanleiding van uit eigen onderzoek en van de betrokkene behandelende internist, cardioloog en orthopeed verkregen informatie op 8 december 2011 aangescherpt in verband met knieklachten en een bewegingsbeperking aan de linker-schouder. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van appellant op 19 december 2011 gerapporteerd dat de gewijzigde FML geen aanleiding geeft om af te wijken van de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige en betrokkene in staat geacht de volgende functies te verrichten: Textielproductenmaker (SBC-code 111160), Samensteller kunststof en rubberindustrie (SBC-code 271130), Wikkelaar, samensteller elektronische industrie (SBC-code 267050) en Inpakker (SBC-code 111190) .


1.4.

Bij besluit van 6 januari 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft betrokkene een brief van 12 maart 2012 van chirurg dr. Goei overgelegd, waarin deze te kennen geeft dat hij betrokkene in 2005 en 2006 aan de buikwand heeft geopereerd. Voor de medische toestand van betrokkene in verband met deze operaties heeft dr. Goei verwezen naar zijn brief van 23 november 2006, achter de inhoud waarvan hij zich nog altijd kan stellen. In deze brief heeft dr. Goei onder andere te kennen gegeven dat


“[betrokkene] thans uiteraard een zeer kwetsbare buikwand heeft. Een eventueel recidief is zeker niet uitgesloten bij forse belasting van de buikwand. Gezien het feit dat [betrokkene] morbus Crohn heeft gehad en langdurig Prednison heeft gebruikt, is een hernieuwde correctie van een eventueel recidief met behulp van kunststof materiaal onvermijdelijk en onwenselijk. Derhalve is er mij alles aan gelegen dit recidief te voorkomen. Inderdaad heb ik [betrokkene] op het hart gedrukt zeer voorzichtig met belasting te zijn”.


2.2.

Betrokkene heeft voorts een brief van allergoloog C.L. Slie overgelegd, waaruit blijkt dat betrokkene een contact allergie voor nikkel heeft.


2.3.

Naar aanleiding van deze medische informatie heeft de verzekeringsgeneeskundige bezwaar en beroep op 22 mei 2012 gerapporteerd dat de informatie van dr. Goei geen aanleiding geeft om meer beperkingen voor betrokkene aan te nemen. In de FML zijn al heel veel beperkingen opgenomen, met onder andere een forse beperking voor buigen (zowel in mate als frequentie) en zeer forse beperkingen voor duwen/trekken/tillen/dragen en het niet hanteren van zware lasten, waardoor alleen zeer lichte activiteiten passend zijn voor betrokkene. Met dergelijke activiteiten treedt geen recidief op. Dat betrokkene is aangewezen op zeer lichte arbeid betekent volgens de verzekeringsgeneeskundige bezwaar en beroep echter niet dat zeer lichte productiewerkzaamheden niet mogelijk zouden zijn.


2.4.

Naar aanleiding van de informatie van allergoloog Slie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 21 juni 2012 in de FML tevens een beperking in verband met nikkelallergie opgenomen.


2.5.

In zijn rapport van 22 juni 2012 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de eerder voor betrokkene geselecteerde functies, ook na de aangescherpte FML van 21 juni 2012, kunnen worden gehandhaafd.


2.6.

De rechtbank heeft op 16 juli 2012 een tussenuitspraak gewezen. Volgens de rechtbank is er onvoldoende grond voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Gelet op de door betrokkene overgelegde brieven van chirurg dr. Goei van 23 november 2006 en 21 maart 2012 is de rechtbank echter van oordeel dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom betrokkene ten aanzien van frequent buigen als ‘licht beperkt’ en niet als ‘beperkt’ is aangemerkt. Voorts acht de rechtbank het in het licht van de brieven van dr. Goei onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de functie Wikkelaar een overschrijding van tilbelasting (van 5 kg tillen) heeft goedgekeurd.


2.7.

Op 31 juli 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door haar gestelde beperkingen nader toegelicht en vervolgens gerapporteerd in de tussenuitspraak geen aanleiding te hebben gezien om een ander standpunt in te nemen over de voor betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen.


2.8.

In zijn rapport van 13 augustus 2012 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de functie Wikkelaar gelet op de met deze functie samenhangende tilbelasting alsnog is komen te vervallen. Dit heeft echter niet geleid tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse, zodat het Uwv het bestreden besluit heeft gehandhaafd.


2.9.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van wat in de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit moet nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 31 juli 2012 weliswaar de beoordeling van de beperkingen ‘buigen’ en ‘tillen’ nader heeft gemotiveerd, maar geen nadere motivering heeft gegeven met betrekking tot het aspect ‘frequent buigen’, ondanks het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling van deze beperking in de FML gebrekkig was.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd het oordeel van de rechtbank, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 31 juli 2012 geen nadere motivering heeft gegeven ten aanzien van de beperking ‘frequent buigen’, niet te kunnen volgen. Appellant heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2012 overgelegd. In dit rapport geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen dat zij in haar rapport van 31 juli 2012 heeft beargumenteerd waarom er geen argumenten zijn om meer beperkingen aan te geven voor frequent buigen. Ter nadere toelichting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat gelet op de aard van de aandoening van betrokkene extra druk op de buikwand moet worden voorkomen. Dit is in voldoende mate in de FML meegewogen, omdat er uitgegaan is van 300 maal buigen per uur in geringe mate, waarbij is aangetekend dat bij item 4.10 van de FML 45 graden is vermeld. Éénmaal per 12 seconden, dus met heel rustige bewegingen, onder een hoek van 45 graden buigen geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen relevante verhoging van de druk/spanning op de buikwand, omdat deze beweging overwegend vanuit de rugspieren (en eventueel ook vanuit de heupen) plaatsvindt.


3.2.

Betrokkene heeft te kennen gegeven zich met de uitspraak van de rechtbank te kunnen verenigen. Onder verwijzing naar de eerder genoemde brieven van dr. Goei heeft betrokkene het in het rapport van 22 november 2012 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunt bestreden en daartoe aangevoerd dat een frequentie van 300 maal buigen voor betrokkene absoluut onhaalbaar is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De enige vraag die partijen nu nog verdeeld houdt is of appellant de door hem in de FML aangenomen beperking op het aspect frequent buigen voldoende heeft toegelicht.


4.2.

De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 31 juli 2012 weliswaar een nadere motivering heeft gegeven met betrekking tot het aspect buigen en meer in het bijzonder op het aantal graden waartoe betrokkene tot buigen in staat is, maar niet ten aanzien van de frequentie van het buigen (de frequentie waarmee betrokkene het bovenlichaam gedurende elk uur van de werkdag voorover kan buigen en kort daarna weer in de uitgangshouding kan terugkeren). Met het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

22 november 2012 heeft appellant de beperking op het aspect frequent buigen echter alsnog voldoende toegelicht.


4.3.

Gelet op wat in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Omdat appellant het door de rechtbank vastgestelde motiveringsgebrek alsnog in hoger beroep heeft hersteld, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.


5. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (één punt voor het verweerschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, waarbij de vergoeding voor één punt € 490,- bedraagt).



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 januari 2012 in stand blijven;
  • - veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 980,-;
  • - bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en R.E. Bakker en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2015.




(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) I. Mehagnoul




QH