Centrale Raad van Beroep, 05-02-2015 / 13-4174 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:303

Inhoudsindicatie
Beëindiging tijdelijke proeftijdaanstelling wegens ongeschiktheid voor de functie. Viertal tekortkomingen in functioneren. Appellant heeft een reële kans gehad zich waar te maken. Daarbij zijn concrete verbeterpunten aangereikt. Appellant heeft zich echter niet verbeterd. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de tekortkomingen hem niet te verwijten zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-05
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
13-4174 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4174 AW

Datum uitspraak: 5 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2013, 13/1696 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Velsen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Lange hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. I. Speel een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lange. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Brzözek en C. de Greef-Stekelenburg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 januari 2012 bij wijze van proef tot 1 juli 2012 aangesteld bij de gemeente Velsen als [naam functie A.] op de afdeling [naam afdeling] voor 36 uur per week. Het doel van deze tijdelijke aanstelling is te beoordelen of appellant in staat is zijn functie in volle omvang goed uit te oefenen.

1.2.

Op 18 juni 2012 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Volgens het ‘Formulier beoordelingsgesprek’ heeft appellant op een drietal punten een BC (= prestaties voldoen (nog) niet aan de eisen, afstand overbrugbaar) gescoord, te weten op het resultaat ‘Rapportage over de onderzoeken en verslagleggingen van contacten met betrokkenen’, de competentie ‘Probleemanalyse’ en de competentie ‘Kwaliteitsgerichtheid’.


1.3.

Bij besluit van 10 juli 2012 is appellants tijdelijke aanstelling bij wijze van proef met een jaar verlengd tot 1 juli 2013, omdat nog niet voldoende duidelijk was geworden of appellant voldoet aan de in redelijkheid gestelde verwachtingen.


1.4.

Van 13 augustus 2012 tot en met 2 september 2012 heeft appellant vakantieverlof gehad. Op 5 september 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn leidinggevende G (leidinggevende) over appellants (concept)rapportages, onder andere over de rapportage met betrekking tot het op 10 juli 2012 afgelegde huisbezoek in de zaak A.


1.5.

Op 18 september 2012 heeft een gesprek tussen hen, de afdelingsmanager en de HR-adviseur plaatsgevonden, waarbij een viertal tekortkomingen van appellant is geformuleerd. Bij brief van 20 september 2012 heeft het college het voornemen tot beëindiging van appellants aanstelling bekend gemaakt.


1.6.

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft het college, overeenkomstig het voornemen, appellant met toepassing van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling / Velsense Arbeidsvoorwaarden-regeling (CAR/VAR) met ingang van 1 december 2012 ontslag verleend wegens ongeschiktheid dan wel onbekwaamheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Appellant wordt verweten dat hij zich onzorgvuldig heeft voorbereid op huisbezoeken, zijn cliëntdossiers niet op orde heeft en zich hierin niet verantwoordelijk opstelt, zijn collega’s op een onwenselijke manier bejegent en het gezag van de leidinggevende ondermijnt. Bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 4 oktober 2012 ongegrond verklaard onder aanpassing van de ingangsdatum van het ontslag naar 4 december 2012.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd. Er waren onvoldoende tekortkomingen in zijn functioneren die een tussentijds ontslag rechtvaardigden. De tekortkomingen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, zijn louter te wijten aan administratieve onzorgvuldigheid, miscommunicatie en het inspringen voor een zieke collega. Verder sluiten de vastgestelde tekortkomingen niet aan bij de bevindingen tijdens het beoordelingsgesprek van 18 juni 2012. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat hij over het aanbrengen van verbeteringen in dossiers niet eenduidig heeft verklaard en dat zijn verklaringen daarom ongeloofwaardig zijn. Tot slot is hem geen reële verbeterkans geboden en is hem door de voortijdige beëindiging van zijn dienstverband de mogelijkheid ontnomen zich alsnog te bewijzen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij een tussentijds ontslag uit een tijdelijke proeftijdaanstelling wegens ongeschiktheid voor de functie als bedoeld in artikel 8:6 van de CAR/VAR is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van de ambtenaar aannemelijk is gemaakt en de ambtenaar een reële kans heeft gekregen zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd (vergelijk de uitspraken van 21 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2821 en 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:532).


4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de tekortkomingen, zoals weergegeven in onder meer het Formulier beoordelingsgesprek van 18 juni 2012, het gespreksverslag van

18 september 2012 en het besluit van 4 oktober 2012, relevante tekortkomingen in het functioneren van appellant betreffen. De bij appellant in behandeling zijnde cliëntdossiers bevatten diverse onvolledigheden, waaronder ontbrekende, onvolledige of onjuiste verslagen en rapportages. Verder werden opdrachten om hierin verbetering te brengen niet of onvoldoende opgevolgd.


4.3.

Anders dan appellant stelt, heeft hij een reële kans gehad zich waar te maken. Zijn tijdelijke aanstelling is verlengd om hem de gelegenheid te bieden zich alsnog te bewijzen. Daarbij zijn concrete verbeterpunten aangereikt. Appellant heeft zich echter niet verbeterd. In de zomer van 2012 is opnieuw geconstateerd dat sprake was van onvoldoende en onjuiste verslaglegging in een aantal dossiers die bij appellant in behandeling waren. Nadat hij op 3 september 2012 van vakantie terug op het werk was, is hij door collega T en op 5 september 2012 door zijn leidinggevende uitdrukkelijk gewezen op tekortkomingen in de rapportages en op het belang de rapportages aan te passen. Toen appellant deze dossiers op 18 september 2012 nog niet op orde had, was voor het college de maat vol. Nu appellant kennelijk het belang van een juiste en tijdige verslaglegging niet inzag, was een vroegtijdige beëindiging van de tijdelijke aanstelling gerechtvaardigd. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de tekortkomingen hem niet te verwijten zijn.


4.4.

De rechtbank heeft, anders dan appellant stelt, terecht overwogen dat de verklaringen van appellant over het aanbrengen van verbeteringen in dossiers, waaronder het dossier in de zaak A, niet eenduidig zijn. In het gesprek op 5 september 2012 heeft appellant immers eerst ontkend met T over de zaak A te hebben gesproken, terwijl hij later in het gesprek heeft erkend dat hij met T over de zaak heeft gesproken en T zou hebben gezegd dat hij diens aantekeningen heeft verwerkt. In hoger beroep heeft appellant ter zake vervolgens gesteld dat T hem op 3 september 2012 heeft gevraagd te verzwijgen dat T hem op de hoogte had gesteld van de door de leidinggevende over de zaak A gestelde vragen. Ook heeft appellant in hoger beroep gesteld dat hij de aanpassingen in de zaak A wel had verwerkt, maar niet op de goede schijf heeft opgeslagen en per ongeluk de verkeerde versie heeft uitgeprint en ingeleverd. Deze in hoger beroep betrokken stellingen treffen geen doel, reeds omdat appellant hiervoor geen enkel bewijs heeft aangedragen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD