Centrale Raad van Beroep, 08-09-2015 / 13-6715 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3033

Inhoudsindicatie
Aanvraag om bijstand ten onrechte buiten behandeling gesteld. Gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn verstrekt. Appellants verklaring dat ABN AMRO niet bereid was een verklaring af te geven, is bevestigd door zijn gemachtigde, die een soortgelijke ervaring had toen hij trachtte daar gegevens te verkrijgen voor een andere cliënt. Het college heeft in dat geval erkend dat sprake was van bewijsnood. Hiermee is voldoende komen vast te staan dat appellant, achteraf bezien, niet op de door de DWI aangegeven wijze de beschikking kon krijgen over de gegevens waarom het college heeft verzocht. Het college was niet bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
13-6715 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/244 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
  • JWWB 2016/126
  • USZ 2015/346
Uitspraak

13/6715 WWB

Datum uitspraak: 8 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2013, 13/6533 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend, waarbij nadere stukken zijn gevoegd.

Appellant heeft hierop een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 4 juni 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Aan deze aanvraag zijn aanvragen van mei 2012 en januari 2013 voorafgegaan, die het college buiten behandeling heeft gesteld omdat appellant gegevens over bankrekeningen niet kon verstrekken.


1.2.

Op 12 juni 2013 heeft blijkens de rapportage Aanvraag WWB levensonderhoud van

18 juli 2013 een intakegesprek bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) plaatsgevonden, waarbij is gesproken over de bankrekeningen. In de rapportage staat hierover het volgende:

“Klant geeft aan dat hij diverse keren een verzoek heeft ingediend bij de ABN AMRO maar dat hij geen reactie krijgt. Hij is ooit in het bezit geweest van de papieren van de bank maar deze gegevens is hij

kwijtgeraakt. Hij heeft nu een advocaat in de arm genomen omdat hij

redelijkerwijs niet over deze gegevens kan beschikken. Ik heb hem gemeld nog eenmaal persoonlijk langs te gaan en desnoods alleen een verklaring van de bank vraagt. Klant zal dit doen en het een en

ander vastleggen en inleveren.”


1.3.

Het college heeft bij brieven van 17 juni 2013 en 28 juni 2013 stukken bij appellant opgevraagd. Het betrof, voor zover hier van belang:- een bewijs van de bank inzake de opheffing van zijn

privé- en zijn zakelijke rekening;

- een bewijs van de bank dat appellant geen rekening meer mag/kan openen;

- een bewijs van de bank omtrent fraudeonderzoek met betrekking tot het zakelijke rekeningnummer.

Appellant moest deze gegevens uiterlijk 15 juli 2013 inleveren.


1.4.

Appellant heeft op 18 juli 2013 stukken ingeleverd, waaronder een brief van

ABN AMRO van 17 augustus 2011 met de mededeling dat hij is opgenomen in het zogenoemde incidentenregister. Appellant heeft schriftelijk verklaard dat opname in het incidentenregister volgens een medewerker van de ABN AMRO inhoudt dat automatisch alle lopende rekeningen worden opgeheven en het niet mogelijk is een nieuwe betaal- of spaarrekening te openen. De bank wil geen kopieën maken van de reeds verstuurde correspondentie en wil alleen de brief over de opname in het incidentenregister aan appellant uitreiken, aldus appellant in zijn verklaring.


1.5.

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant niet volledig had gereageerd op het verzoek bewijsstukken in te leveren. Het college kon daardoor zijn aanvraag niet beoordelen.


1.6.

Bij e-mail van 19 september 2013 heeft de gemachtigde van appellant een e-mail van [naam BV] ( [BV] ), die namens ABN AMRO een vordering op appellant incasseert, overgelegd. In deze e-mail heeft [BV] meegedeeld dat de door de gemachtigde genoemde rekeningnummers (privé en zakelijk) van appellant zijn vervallen/opgeheven.


1.7.

Bij besluit van 1 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet de gevraagde afschriften van zijn rekeningen heeft ingeleverd en evenmin gegevens waaruit blijkt dat zijn rekeningen nog geblokkeerd zijn. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet over die gegevens kon beschikken omdat ABN AMRO geen duplicaatgegevens verstrekt en ook weigert hierover een verklaring af te geven. Uit de door appellant ingeleverde gegevens blijkt dat hij in 2011 was opgenomen in het incidentenregister, maar niet dat dit nog steeds zo was.


2.1.

In beroep heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat hij in een soortgelijke zaak van een andere cliënt is meegegaan naar ABN AMRO en dat toen bleek dat de bank inderdaad geen bewijsstukken wilde verstrekken van de rekeningnummers waar het om ging. Ook wilde ABN AMRO geen verklaring verstrekken over deze weigering. Het college heeft in die zaak erkend dat betrokkene in bewijsnood verkeerde.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft onderbouwd waarom hij het bewijs van de opheffing van zijn rekeningen niet eerder had kunnen inleveren.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, had het college uit het gegeven dat appellant was opgenomen in het incidentenregister niet kunnen concluderen dat de rekeningen waar het om ging waren opgeheven en dat hij geen nieuwe rekening kon openen. Dit blijkt althans niet uit de brief van ABN AMRO van 17 augustus 2011 en het college heeft toegelicht dat en waarom dit ook niet volgt uit informatie verkregen van ABN AMRO. Dit betekent dat de door het college gevraagde gegevens met betrekking tot de rekeningnummers noodzakelijk waren voor een goede beoordeling van de aanvraag.


4.3.

Niet in geschil is dat niet alle gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn zijn verstrekt. Ter beoordeling staat vervolgens of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet de beschikking kon krijgen over de gevraagde stukken, zoals hij heeft aangevoerd. In de bijzondere omstandigheden van dit geval bestaat aanleiding deze vraag bevestigend te beantwoorden.


4.3.1.

Uit wat is besproken bij het intakegesprek, genoemd onder 1.2, heeft appellant mogen begrijpen dat hij kon volstaan met een bezoek aan ABN AMRO, waarbij hij om een verklaring met betrekking tot de rekeningen zou verzoeken. Zijn verklaring dat ABN AMRO niet bereid was een dergelijke verklaring af te geven, is bevestigd door zijn gemachtigde, die een soortgelijke ervaring had toen hij trachtte daar gegevens te verkrijgen voor een andere cliënt. Het college heeft in dat geval erkend dat sprake was van bewijsnood. Hiermee is voldoende komen vast te staan dat appellant, achteraf bezien, niet op de door de DWI aangegeven wijze de beschikking kon krijgen over de gegevens waarom het college heeft verzocht. Gelet op de mededeling van de DWI bij het intakegesprek hoefde appellant niet te begrijpen dat hij ook een schriftelijk verzoek tot de bank had moeten richten. Het college kan appellant niet tegenwerpen dat hij eerder een verklaring van [BV] had kunnen verkrijgen. Hier heeft het college niet om verzocht. Dat de gemachtigde van appellant uiteindelijk via [BV] de benodigde gegevens heeft weten te verkrijgen, betekent niet dat dit ook van appellant verwacht had mogen worden.


4.4.

Uit wat in 4.3.1 is overwogen, volgt dat het college niet bevoegd was de aanvraag van

12 juni 2013 buiten behandeling te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten. De Raad kan in dit geval het geschil niet definitief beslechten door instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of door in de zaak te voorzien, noch door een bestuurlijke lus toe te passen, nu het geschil van partijen in drie opeenvolgende procedures gericht is geweest op de vraag of appellant redelijkerwijs de beschikking kon krijgen over de gevraagde gegevens. Het college zal onder herroeping van het primaire besluit een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. Het college zal bij zijn nadere besluit ook moeten nagaan of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.960,-.


6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 november 2013;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met in achtneming van

deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) P.C. de Wit




HD