Centrale Raad van Beroep, 09-09-2015 / 14-3285 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3049

Inhoudsindicatie
Loonbegrip. Appellant kon aan de door het Uwv in maart 2012 gemaakte fout, waarbij ten onrechte de afgekochte vakantie-uren bij de berekening van de hoogte van de Wet WIA-uitkering niet als inkomen in aanmerking zijn genomen, niet het vertrouwen ontlenen dat het Uwv hierin zou volharden door deze fout betreffende de in januari 2013 afgekochte vakantie-uren te herhalen. Aan door een bestuursorgaan in het verleden bij de besluitvorming gemaakte fouten kan niet een rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend dat in de toekomst daarin wordt volhard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-3285 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3285 WIA

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

29 april 2014, 13/3132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2015. Appellant is samen met zijn [naam echtgenote] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 23 juni 2009 uitgevallen voor zijn werk als behandelfunctionaris IB bij

het Ministerie van Financiën (werkgever). Bij besluit van 24 november 2011 heeft het Uwv appellant met ingang van 20 december 2011 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit op bezwaar van 12 april 2012 heeft het Uwv het tegen dit besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van deze uitkering aangepast. Naast deze uitkering is appellant werkzaam bij zijn eigen werkgever in ander passend werk gedurende

18 uur per week.


1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2012 heeft het Uwv, in verband met inkomsten uit arbeid, vanaf 1 november 2012 aan appellant een voorschot op zijn Wet WIA-uitkering verstrekt van € 1.371,99 (bruto) per maand.


1.3.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het Uwv - op basis van gegevens van de

Belastingdienst - de hoogte van de Wet WIA-uitkering over de periode van 1 november 2012 tot en met 30 april 2013 definitief vastgesteld en bepaald dat appellant over deze periode

€ 558,78 (bruto) te veel heeft ontvangen.


1.4.

Bij besluit van 5 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 27 mei 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant heeft gekozen om niet genoten vakantiedagen uit te laten betalen, dat zijn werkgever in de polisadministratie in januari 2013 het salaris inclusief deze uitbetaalde vakantie-uren als SV-loon heeft vermeld, dat sprake is van een belaste uitbetaling en dat dit wordt meegenomen in de berekening van de hoogte van het inkomen van appellant.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht de uitbetaling van niet genoten vakantie-uren (in de maand januari 2013) heeft aangemerkt als fiscaal belastbaar loon. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het door appellant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur niet slaagt.


3. Appellant heeft in hoger beroep (kort samengevat) zijn gronden beperkt tot de stelling dat het beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet is gehonoreerd. De eerder door appellant in maart 2012 afgekochte vakantie-uren zijn door het Uwv niet als inkomen aangemerkt. Gelet op het besluit van 23 oktober 2012, waarin de berekening over maart 2012 is vastgelegd, heeft appellant erop mogen vertrouwen dat het Uwv in januari 2013 op dezelfde wijze met de afgekochte vakantie-uren om zou gaan.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak

(CRvB 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat hiervan in dit geval geen sprake is. De uitlating waarop appellant zich in dit verband beroept betreft enkel het besluit betreffende de definitieve vaststelling van de hoogte van zijn uitkering over de periode van 1 januari 2012 tot en met oktober 2012. Dit besluit bevat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging betreffende het in aanmerking te nemen inkomen in de maand januari 2013.


4.2.

Ook wordt met de rechtbank geoordeeld dat appellant aan de door het Uwv in maart 2012 gemaakte fout, waarbij ten onrechte de afgekochte vakantie-uren bij de berekening van de hoogte van de Wet WIA-uitkering niet als inkomen in aanmerking zijn genomen, niet het vertrouwen kon ontlenen dat het Uwv hierin zou volharden door deze fout betreffende de in januari 2013 afgekochte vakantie-uren te herhalen. Naar vaste rechtspraak van de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2469 -kan immers aan door een bestuursorgaan in het verleden bij de besluitvorming gemaakte fouten niet een rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend dat in de toekomst daarin wordt volhard.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.








BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E.W. Akkerman en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) H.J. Dekker




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip loon.


AP