Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 12-3561 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:305

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Geschiktheid voor ten minste één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies. Geen neurologische stoornissen. Klachten afdoende verdisconteerd in de huidige mate van arbeidsongeschiktheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
12-3561 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3561 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

16 mei 2012, 12/878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 januari 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.H.W. Verberne hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich op 15 april 2009 ziek gemeld vanuit een situatie dat hij naast zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Bij besluit van 13 december 2010 heeft het Uwv appellant, vier weken na 15 april 2009, ongewijzigd 65 tot 80% arbeidsongeschikt geacht. Zie de tussenuitspraak van de Raad van 20 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3147) en de uitspraak van de Raad van 25 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2723).


1.2.

Appellant heeft zich met ingang van 8 augustus 2011 ziek gemeld. Bij besluit van

12 oktober 2011 heeft het Uwv de toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 12 oktober 2011 beëindigd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.3.

Bij besluit van 20 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een zorgvuldige wijze is voorbereid en heeft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van medisch objectiveerbare klachten ten opzichte van de WAO-beoordeling. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij zijn ellebogen dient te ontzien of dat zijn klachten zijn toegenomen. Het Uwv heeft gemotiveerd dat de functies fysiek (en mentaal) weinig belastend zijn en dat appellant op de datum in staat was tot het verrichten van ten minste één van de geselecteerde functies die ten grondslag zijn gelegd aan de

WAO-beoordeling.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij de WAO-beoordeling ten onrechte het Protocol Chronische Vermoeidheidssyndroom (CVS) niet heeft toegepast, hij de erkenning wil dat hij lijdt aan het CVS en hij niet in staat is om 40 uur per week arbeid te verrichten. Het onderzoek van de door de Raad in het kader van de WAO-beoordeling benoemde deskundigen was te beperkt. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen die hij in het dagelijks leven ondervindt. Appellant heeft een rapport ingediend van een neuropsychologisch onderzoek van prof. dr. H.A.M. Middelkoop dat op

28 maart 2014 heeft plaatsgevonden en een overzicht van de resultaten van een fietstest die is uitgevoerd op 26 oktober 2013. Middelkoop schrijft volgens appellant in zijn rapport dat de chronische vermoeidheidsklachten passen bij CVS en dat hij voor de neurologische klachten geen andere verklaring heeft. Appellant verwijst verder naar het door Middelkoop beschreven dagverhaal van appellant. Daarnaast heeft appellant een door hem gemaakt overzicht ingediend van wat er is gebeurd en wat er volgens hem had moeten gebeuren.


4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat het CVS bij appellant wordt erkend en dat appellant recht heeft op WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.


5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.


5.3.

In dit geding staat centraal de vraag of de belastbaarheid van appellant op

12 oktober 2011 zodanig was dat hij in staat was ten minste één van de in 2010 in het kader van de WAO voor hem geselecteerde functies te verrichten.


5.4.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De door appellant naar voren gebrachte gronden en argumenten hebben de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over de hersteldmelding in het kader van de ZW. Middelkamp heeft geen neurologische stoornissen kunnen vaststellen en acht de klachten van appellant afdoende verdisconteerd in de huidige mate van arbeidsongeschiktheid. Ook uit de overige door appellant ingediende (medische) stukken kan niet worden afgeleid dat zich medisch objectiveerbare wijzigingen hebben voorgedaan ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling.


5.5.

Uit de overwegingen 5.2 en 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk en C.C.W. Lange en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) K. de Jong




TM