Centrale Raad van Beroep, 09-09-2015 / 14-2568 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:3051

Inhoudsindicatie
Weigering terug te komen van besluit waarbij Wajong-uitkering is geweigerd. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-2568 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2568 WAJONG

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

28 april 2014, 13/3047 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op 15 februari 1983, heeft op 1 april 2004 een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Vervolgens heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, maar geen arbeidskundig onderzoek. Op de aanvraag is geen beslissing genomen.


1.2.

Op 12 september 2007 heeft appellante opnieuw een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Bij besluit van 29 oktober 2008 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen, omdat appellante vanaf 1 januari 2001 niet

52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.


1.3.

Bij besluit van 1 april 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 oktober 2008 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld.


1.4.

Op 31 januari 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend om

inkomens- en arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Bij die aanvraag is een rapport uit 2012 van bedrijfsarts

G. Odekerken gevoegd, die concludeert dat sprake is van een psychische aandoening met flinke beperkingen in het persoonlijk en energetisch functioneren. Appellante wordt door Odekerken volledig arbeidsongeschikt geacht voor reguliere arbeid. Ook zijn oude rapporten van behandelaars van appellante van 2 juni 1995 en 11 april 2001 bijgevoegd.


1.5.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het Uwv beslist dat niet wordt teruggekomen het besluit van 29 oktober 2008, omdat er geen wezenlijk andere gegevens over de medische situatie op 1 januari 2001 zijn dan die waarop het besluit van 29 oktober 2008 berust.


1.6.

Bij besluit van 4 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 maart 2013 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat sprake is van een herhaalde aanvraag, zodat, gelet op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellante gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te stellen. De rechtbank is van oordeel dat appellante daar niet in geslaagd. De nu overlegde gegevens waren grotendeels al bekend bij het Uwv. Het enkele gegeven dat sprake is van een nieuwe diagnose is geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat een nieuwe diagnose wel degelijk als een nieuw feit moet worden beschouwd. Appellante is al op twaalfjarige leeftijd onder psychiatrische behandeling gekomen. Kort voor haar achttiende levensjaar is zij uithuisgeplaatst. Er is constant sprake geweest van behandeling. Nu zijn er nieuwe diagnoses, zoals ADHD/PDD NOS en MS, die ernstige beperkingen opleveren.


4. De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid. Gelet op de inhoud van de aanvraag van 31 januari is die aanvraag een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 oktober 2008. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante ook gesteld dat het verzoek zo opgevat dient te worden. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Hetgeen beschreven staat in de rapporten van 2 juni 1995 en

11 april 2001 was bekend bij het Uwv ten tijde van het nemen van het besluit van 29 oktober 2008. Bovendien hadden deze rapporten, gelet op hun datering, in een veel eerder stadium aan het Uwv kenbaar kunnen worden gemaakt. Ook het rapport van bedrijfsarts Odekerken bevat geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Conform vaste rechtspraak is een nieuwe diagnose geen nieuw feit. Bovendien heeft een groot deel van de inhoud van dat rapport geen betrekking op de periode die nu ter beoordeling staat.


4.2.

Het feit dat appellant inmiddels een uitkering is toegekend ingevolgde de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij het Uwv ervan is uitgegaan dat appellante sinds

1 juli 2006 arbeidsongeschikt is, heeft geen betekenis voor dit geval nu immers sprake is van een ander beoordelingsmoment en een andere wettelijke regeling.


4.3.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.








BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E.W. Akkerman en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) H.J. Dekker



AP