Centrale Raad van Beroep, 09-09-2015 / 14-3794 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:3054

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering pgb. Onvoldoende verantwoording pgb. Geen zorgovereenkomst en betalingsbewijzen overgelegd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-3794 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3794 WMO

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 mei 2014, 13/7307 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (de erven)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft G.A. Smith hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Namens de erven is Smith verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

Ter zitting heeft Smith gemeld dat betrokkene op 14 december 2014 is overleden en dat de erven het hoger beroep voort zetten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Het college heeft betrokkene bij besluit van 22 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning voor één uur en vijftien minuten per week voor de periode van 10 augustus 2012 tot en met 10 augustus 2017 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Over de periode van 10 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 heeft betrokkene € 445,87 ontvangen.


1.2.

Bij brief van 2 april 2013 heeft het college betrokkene verzocht het betaalde pgb over 2012 te verantwoorden. Betrokkene heeft op 26 april 2013 ter verantwoording van het pgb enkel een verantwoordingsformulier overgelegd. Bij brief van 5 augustus 2013 heeft het college betrokkene verzocht om ter verantwoording van het pgb alsnog de zorgovereenkomst en bankafschriften over te leggen.


1.3.

Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft het college het besluit van 22 oktober 2012 ingetrokken en het niet verantwoorde bedrag van € 445,87 teruggevorderd, omdat betrokkene niet heeft voldaan aan haar verantwoordingsplicht.


1.4.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 20 augustus 2013 bezwaar gemaakt. Gedurende de bezwarenprocedure heeft het college betrokkene bij brief van 12 september 2013 nogmaals in de gelegenheid gesteld het aan haar betaalde pgb te verantwoorden. Betrokkene heeft hierop bij brief van 23 september 2013 wederom een ingevuld verantwoordingsformulier overgelegd, met daarbij de toevoeging dat alle afspraken mondeling waren.


1.5.

Bij besluit van 1 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college, voor zover van belang, overwogen dat betrokkene het pgb niet heeft verantwoord overeenkomstig de daarvoor geldende regels.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene geen zorgovereenkomst en betalingsbewijzen heeft overgelegd. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat betrokkene de betalingsbewijzen aan het college heeft aangeboden, maar dat het college daarin geen interesse had. Het college was bevoegd om betrokkene te verzoeken verantwoording af te leggen over het betaalde pgb door middel van het indienen van een schriftelijke zorgovereenkomst en betalingsbewijzen. Nu deze stukken niet zijn overgelegd was het college bevoegd het in 2012 betaalde pgb in te trekken en is terecht overgegaan tot terugvordering van het betaalde pgb tot een bedrag van € 445,87.


3. Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat mondelinge afspraken ook rechtsgeldig zijn, zeker nu de hulp bij het huishouden werd verleend door familieleden. Daarnaast heeft betrokkene wederom gesteld dat het college geen belangstelling heeft gehad voor de betalingsbewijzen en dat het pgb ook bestemd is voor sociale contacten, waarvan geen betalingsbewijzen zijn.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ook in hoger beroep is niet in geschil dat betrokkene geen zorgovereenkomst en betalingsbewijzen heeft overgelegd. Betrokkene heeft dan ook niet aan haar verantwoordingsplicht voldaan, terwijl zij er tijdig en meerdere malen op is gewezen dat die plicht bestaat en op welke wijze zij geacht werd daaraan invulling te geven. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat niet kan worden volgehouden dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om het in 2012 betaalde pgb in te trekken en - gelet op artikel 15 tweede lid, van de Verordening voorzieningen maatschappelijk ondersteuning 2012 - terecht is overgegaan tot terugvordering.


4.2.

Hetgeen appellant in in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen nieuwe gezichtspunten die aanleiding geven tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De stelling van betrokkene dat het pgb ook bestemd is voor het onderhouden van sociale contacten en dat daarvan geen betalingsbewijzen zijn kan ook niet slagen, reeds omdat het pgb aan betrokkene is toegekend voor de hulp bij het huishouden.


4.3.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) P. Uijtdewillegen


UM