Centrale Raad van Beroep, 09-09-2015 / 14-1389 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:3055

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag. Niet uitgegaan van een onjuiste maatstaf arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-1389 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1389 ZW

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 januari 2014, 13/8255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.F. Deen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Deen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Vanuit de situatie dat appellant een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, heeft hij zich per 2 april 2013 ziek gemeld wegens pijnklachten aan rug, nek en knie en wegens slaapproblemen.


1.2.

Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 20 augustus 2013 het spreekuur van een bedrijfsarts bezocht. Deze arts heeft overwogen dat appellant met ingang van

21 augustus 2013 in staat is om zijn maatgevende arbeid als toezichthouder speeltuin te verrichten.


1.3.

Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 21 augustus 2013 wordt beëindigd. Aan dit besluit ligt het rapport van de bedrijfsarts van 20 augustus 2013 ten grondslag. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.


1.4.

Bij besluit van 2 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2013 ten grondslag.


2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om het medisch onderzoek door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onzorgvuldig of onjuist te houden.


2.2.

Over het psychiatrisch rapport waarnaar appellant in beroep heeft verwezen, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit dateert van ruim een jaar voor de datum in geding. Over de verwijsbrief van de huisarts heeft de rechtbank geoordeeld dat de pijnklachten die daarin worden beschreven, door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij hun beoordeling zijn betrokken. Daarnaast zijn bij het psychisch onderzoek door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen duidelijke afwijkingen geconstateerd.


3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is zijn arbeid te verrichten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.


4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellant op de datum in geding.


4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien, lichamelijk en psychisch onderzocht, en informatie van de behandelend sector bij zijn overwegigen betrokken. Over de pijnklachten aan de nek heeft hij het standpunt ingenomen dat het verslag van het

MRI-onderzoek wel enige degeneratie liet zien, maar niet in die mate dat daarmee de geclaimde klachten kunnen worden verklaard. Er is geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. Er is voorts niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van een onjuiste maatstaf arbeid is uitgegaan.


4.4.

Over de psychische klachten hebben de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat er geen kenmerken zijn van een stemmings- of depressieve stoornis en er ook geen aanwijzingen zijn voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Deze klachten zijn niet van dien aard dat appellant daarmee zijn werk niet kan doen. Er is geen reden aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Daarbij verdient opmerking dat de door appellant in hoger beroep vermelde psychiatrische expertise van 27 mei 2012, gelet op de vermelding daarvan in zijn rapport van 2 oktober 2013, bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was.


4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) D. van Wijk




UM