Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 14/3392 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3076

Inhoudsindicatie
Hoogte en berekening van bijzondere bijstand woonkostentoeslag. Draagkrachtperiode.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14/3392 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/182
Uitspraak

14/3392 WWB

Datum uitspraak: 1 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 mei 2014, 13/3433 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. L.H. Heijing.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 juli 2012 algemene bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant is eigenaar van een door hem bewoonde woning.


1.2.

Appellant heeft op 26 februari 2013 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag met als gewenste ingangsdatum 1 juli 2012.


1.3.

Bij besluit van 27 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur aan appellant een woonkostentoeslag toegekend over de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2013 tot een bedrag van € 295,53 per maand.


1.4.

Bij besluit van 3 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag de waterschapslasten moeten worden meegenomen. Aangezien appellant niet in staat was om deze gegevens aan te leveren had het dagelijks bestuur deze gegevens moeten opvragen. Ook de premie kapitaalverzekering moet in de berekening worden meegenomen. Bij appellant is geen sprake van vermogensopbouw. Het opgebouwde kapitaal gaat immers rechtstreeks naar de hypotheekverstrekker, omdat de woning veel minder waard is dan de daarop rustende hypotheek. Verder is bij de berekening van de woonkostentoeslag ten onrechte aangesloten bij het systeem van de Wet op de huurtoeslag (Wht) en de daarin begrepen kwaliteitskorting. Toepassing van de zogenoemde kwaliteitskorting is onredelijk, omdat een eigenaar-bewoner veel meer andere en hogere kosten heeft aan zijn woning dan een huurder aan zijn huurwoning. Voorts is bij de toekenning van de woonkostentoeslag ten onrechte de verplichting opgelegd dat appellant de voorlopige teruggave 2012 over moet leggen. Appellant heeft in 2012 geen woonkostentoeslag ontvangen, zodat die ook niet kon worden verwerkt in een voorlopige teruggave over 2012. In 2013 zal appellant geen teruggave ontvangen, omdat dan de gehele woonkostentoeslag in mindering wordt gebracht op de hypotheekrenteaftrek. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de woonkostentoeslag ten onrechte is vastgesteld over een periode van anderhalf jaar, omdat daardoor tussentijds geen rekening kan worden gehouden met normwijzigingen per 1 januari en 1 juli. Appellant heeft ten slotte verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de eventuele nabetaling.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.


4.2.

Voor de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag voor een eigendomswoning hanteerde het dagelijks bestuur ten tijde in geding een vaste gedragslijn, die is neergelegd in de uitvoeringsrichtlijn ISD BOL B146 (uitvoeringsrichtlijn).


4.3.

Volgens de uitvoeringsrichtlijn neemt het dagelijks bestuur bij de berekening van de woonkostentoeslag het eigenaarsdeel waterschapslasten als woonkosten in aanmerking. De waterschapslasten van appellant zijn echter niet in aanmerking genomen, omdat hij daarover geen gegevens heeft verstrekt. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het aanleveren van gegevens die voor het vaststellen van de woonkostentoeslag van belang zijn. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij, al dan niet met hulp van derden, daartoe niet in staat was.


4.4.

Het dagelijks bestuur heeft overeenkomstig de uitvoeringsrichtlijn de premie kapitaalverzekering niet bij de berekening van de woonkostentoeslag in aanmerking genomen. De kapitaalverzekering is speciaal bestemd voor het sparen voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Daarmee is sprake van vermogensopbouw. Dat het opgebouwde vermogen in het geval van appellant enkel leidt tot vermindering van de restschuld van zijn woning, leidt niet tot het oordeel dat de premie kapitaalverzekering als woonkosten had moeten worden aangemerkt.


4.5.

Niet kan worden gezegd dat het dagelijks bestuur voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag in de uitvoeringsrichtlijn niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het systeem van de Wht en de daarin begrepen kwaliteitskorting. Niet valt in te zien dat deze kwaliteitskorting voor woningeigenaren achterwege gelaten moet worden. Net als voor huurders geldt met betrekking tot de bijzondere bijstand voor woningkosten ook voor woningeigenaren immers dat zij niet te duur moeten blijven wonen. Voorts is van belang dat bij de vaststelling van de woonkosten van appellant naast de hypotheekrente en de zakelijke lasten, tevens de kosten van groot onderhoud in aanmerking zijn genomen.


4.6.

Het dagelijks bestuur heeft bij de toekenning van de woonkostentoeslag appellant de verplichting kunnen opleggen om de (voorlopige) teruggave 2012 van de Belastingdienst te verstrekken. Zowel de (voorlopige) teruggave 2012 als de verleende woonkostentoeslag, voor zover deze aan de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 moet worden toegerekend, hebben betrekking op de woonkosten van appellant in 2012. Bij een teruggave door de Belastingdienst zijn de woonkosten immers feitelijk lager. Dat de woonkostentoeslag in zijn geheel in 2013 is uitbetaald, maakt dat niet anders. Appellant dient daarom de ontvangst van de (voorlopige) teruggave 2012 te melden, zodat het dagelijks bestuur daarmee bij de vaststelling van de definitieve woonkostentoeslag rekening kan houden.


4.7.

Het dagelijks bestuur heeft in het verweerschrift uiteengezet dat bij toekenning van periodieke bijzondere bijstand normaliter wordt uitgegaan van een draagkrachtperiode van één jaar. De periodieke bijzondere bijstand wordt in beginsel vastgesteld voor de gehele draagkrachtperiode. Hiermee wordt voorkomen dat voor betrokkenen met wisselende inkomsten steeds opnieuw de draagkracht moet worden vastgesteld. De draagkracht wordt slechts aangepast indien het inkomen van de betrokkene minimaal 15% daalt of stijgt ten opzichte van het inkomen ten tijde van de vaststelling van de draagkracht. In het geval van appellant is de draagkrachtperiode, afwijkend, met terugwerkende kracht vastgesteld op anderhalf jaar. Voor de berekening voor zowel 2012 als 2013 zijn de gegevens voor 2013 gehanteerd. Volgens het dagelijks bestuur is geen sprake van een stijging of daling van meer dan 15% in de draagkracht, waardoor een aanpassing daarvan niet aan de orde is.


4.8.

Appellant heeft niet gesteld dat hij door deze benadering van het dagelijks bestuur als vermeld in 4.7 is benadeeld, zodat de beroepsgrond niet slaagt.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


4.10.

Voor een veroordeling tot vergoeding van schade is onder deze omstandigheden geen plaats, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) R.G. van den Berg




HD