Centrale Raad van Beroep, 08-09-2015 / 14/2799 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3080

Inhoudsindicatie
Intrekken bijstand. Niet is gebleken van voorzien in kosten van levensonderhoud.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14/2799 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2799 WWB

Datum uitspraak: 8 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2014, 14/207 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Deurne (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.P.V.W. Willems, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Namens appellant is verschenen mr. Willems. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.Y. Mugge.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving vanaf 26 augustus 2011 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren. Omdat appellant op 20 december 2011 27 jaar was geworden, is hem met ingang van die datum bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.


1.2.

Naar aanleiding van een via bureau fraudebestrijding ontvangen anonieme melding heeft een sociaal rechercheur van het Cluster Handhaving Sociale Zekerheid van het Werkplein Regio Helmond (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, registers en internet geraadpleegd, bankafschriften opgevraagd en onderzocht, getuigen gehoord en ten slotte een gesprek met appellant gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 juli 2013.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

26 juli 2013 de bijstand over de periode van 20 december 2011 tot en met 30 juni 2013 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.034,70 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de grondslag dat appellant geen of onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn vermogen, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.


1.4.

Bij besluit van 10 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2013, onder wijziging van de motivering van dat besluit, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de bijstand van 20 december 2011 tot 10 april 2012 wordt ingetrokken, omdat appellant in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De bijstand wordt met ingang van 10 april 2012 ingetrokken en met ingang van 26 juli 2013 beëindigd, omdat appellant beschikt over vermogen dat hoger is dan het vrij te laten bescheiden vermogen, waardoor geen recht op bijstand bestaat.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Periode van 20 december 2011 tot 10 april 2012


4.1.

Het college heeft voor wat betreft deze periode de bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd, omdat appellant in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Hieraan ligt in het bijzonder ten grondslag dat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe en waarvan hij vanaf 20 december 2011 onder andere zijn dagelijkse boodschappen, de benzine en het onderhoud van zijn auto’s heeft kunnen betalen. Volgens het college is uit het onderzoek voldoende aannemelijk geworden dat appellant vanaf 20 december 2011 over geld beschikte dat niet zichtbaar is op zijn bankrekening. Het tegendeel heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken.


4.2.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat hem in het kader van de bezwaarprocedure van de zijde van het college nimmer het verwijt is gemaakt dat hij geen duidelijkheid zou hebben verstrekt ter zake van de kosten van levensonderhoud.


4.3.

Deze beroepsgrond wordt verworpen. Bij het bestreden besluit is niet alleen het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen, maar het college heeft ter (verdere) motivering van het bestreden besluit nog verwezen naar het ambtelijk verweerschrift van

17 oktober 2013. Wat daarin is opgenomen geldt tevens als motivering van het bestreden besluit. De onder 4.1 weergegeven motivering is daarin terug te vinden.


4.4.

Het college heeft er ter zitting op gewezen dat, terwijl in de periode na 10 april 2012 uit de bankafschriften nog blijkt van geringe betalingen voor boodschappen en tanken, in de hier te beoordelen periode daarvan in het geheel niet is gebleken. Appellant heeft in dit verband verwezen naar de verklaring van zijn ex-vriendin. Weliswaar heeft de ex-vriendin van appellant verklaard dat zij vaak samen aten en dat zij dan vaak de boodschappen deed, maar daarmee is niet verklaard dat naast de betaling van de vaste lasten geen enkele betaling zichtbaar is, ook niet voor huishoudelijke artikelen als schoonmaakmiddelen en toiletpapier dan wel - behoudens één betaling - voor persoonlijke verzorging, kleding en schoeisel. De

ex-vriendin heeft in deze periode geen geld aan appellant overgemaakt. Dat deze kosten zouden zijn betaald uit opnamen van contant geld blijkt ook niet uit de bankafschriften, waarbij de opnamen van contant geld die vrijwel direct werden teruggestort buiten beschouwing zijn gelaten. Ook betalingen voor de aanschaf van auto-onderdelen zijn in deze periode niet zichtbaar.


4.5.

Voorts heeft appellant op 10 april 2012 een auto aangeschaft voor € 9.900,-. Op de factuur staat dat een bedrag van € 6.000,- contant is voldaan en een bedrag van € 3.900,- per bank. Deze laatste betaling is niet terug te vinden in de bankafschriften van appellant. Appellant heeft verklaard dat zijn ex-vriendin dit bedrag heeft betaald, maar zij heeft dit ontkend. Ook overigens is van de totale koopsom van € 9.900,- van een bedrag van € 1.660,- niet duidelijk geworden hoe appellant aan dat bedrag is gekomen.


4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat onduidelijk is hoe appellant in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien, zodat het recht op bijstand in deze periode niet is vast te stellen.


Periode van 10 april 2012 tot en met 26 juli 2013


5.1.

Uit de bankafschriften blijkt dat appellant een schadevergoeding heeft ontvangen in verband met een auto-ongeluk. Hij heeft op 10 en 16 april 2012 een bedrag van € 5.740,- respectievelijk € 500,- ontvangen en op 24 oktober 2012 nogmaals een bedrag van € 1.525,-. Appellant heeft de ontvangst van deze bedragen tot een totaalbedrag van € 7.765,- niet aan het college gemeld.


5.2.

Appellant heeft op 10 april 2012 een BMW M3 met [kentekennummer] gekocht voor een bedrag van € 9.900,-. De rechtbank heeft de waarde van een dergelijke auto bij een kilometerstand van 300.000 op grond van de ANWB-koerslijst van maart 2014 bepaald op

€ 7.550,-. Niet valt in te zien dat deze waarde onjuist is bepaald. Gelet op de waarde van deze auto overschreed het vermogen van appellant op 10 april 2012 de grens van het vrij te laten vermogen.


5.3.

Appellant heeft in de periode daarna nog vier andere auto’s op zijn naam gehad, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden. De laatste auto werd aangeschaft op 21 mei 2013. Uit het in het ambtelijk verweerschrift opgestelde overzicht van het vermogen (vermogensbestanddelen) waarover appellant in de vorm van deze auto’s beschikte, blijkt dat appellant daarmee in de periode vanaf 10 april 2012 steeds de beschikking heeft gehad over een vermogen dat aan bijstandsverlening in de weg stond. Daarbij wordt aangetekend dat in dit overzicht 21 mei 2012 moet worden gelezen als 21 mei 2013. Deze vermogensopstelling is als zodanig niet bestreden.


5.4.

Appellant heeft in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting ook van de aanschaf en verkoop van deze auto’s geen mededeling gedaan aan het college.


5.5.

Appellant heeft aangevoerd dat bij de bepaling van zijn vermogen ten onrechte geen rekening is gehouden met de geldleningen die hij is aangegaan ter financiering van de auto’s. De positieve bestanddelen van het vermogen dienen echter slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan aannemelijk is gemaakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Bij de lening die appellant is aangegaan bij [B.], is over de terugbetaling alleen afgesproken dat appellant in termijnen zou terugbetalen als hij ergens in loondienst zou komen. Er is van deze lening geen door beiden ondertekend bewijsstuk beschikbaar en de aflossing is afhankelijk van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Ook over de lening van [U.] bestaan, behalve een inkoopverklaring waarop de lening is vermeld, geen schriftelijke stukken waarin wordt geconcretiseerd hoe en wanneer wordt terugbetaald. Van afdwingbare terugbetalingsverplichtingen is dan ook niet gebleken, zodat geen sprake is van met het vermogen te salderen schulden.


5.6.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat hij ervan uit mocht gaan dat de waarde van de BMW M3 kon worden bepaald op nihil. Hij nam dan ook aan dat hij de aanschaf van deze auto niet hoefde te melden.


5.7.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. Het gemeentelijk beleid zoals dat gold tot 1 juli 2012 geeft richtlijnen over de waardevaststelling van auto’s. Daarin is niets opgenomen over het melden van auto’s. Appellant had dan ook op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de WWB uit eigen beweging het bezit en de eigendom van de auto’s moeten melden. Dat hij van deze auto’s geen melding behoefde te maken, is hem nooit meegedeeld. Het is vervolgens aan het college om te bepalen welke waarde aan een auto wordt toegekend. Daarbij is van belang dat in het beleid was verdisconteerd dat kan worden afgeweken, indien er aantoonbare verschillen zijn tussen de kwaliteit van de auto en de uitgangspunten van de koerslijsten.


6. Uit 4.6 en 5.1 en 5.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) R.G. van den Berg




HD