Centrale Raad van Beroep, 08-09-2015 / 14/4039 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3081

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14/4039 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4039 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juni 2014, 13/2583 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Engwegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2015. Namens appellante is verschenen mr. N.J.M. Kammers, kantoorgenoot van mr. Engwegen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.W.M.J. Wijsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 27 maart 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor verhuis- en inrichtingskosten.


1.2.

Bij besluit van 15 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat op de datum van de aanvraag de kosten van de vloerbedekking reeds waren voldaan, door middel van geleend geld. De kosten van de verhuizing en de stoffering acht het college niet noodzakelijk, zodat ook voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand bestaat.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de verhuizing noodzakelijk was, dat zij over onvoldoende middelen beschikte om de kosten te kunnen voldoen, en dat zij niet beschikte over reserveringscapaciteit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Kosten van de vloerbedekking


4.2.

Uit artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB vloeit voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien.


4.3.

Zoals uit de gedingstukken blijkt en appellante niet heeft betwist, had zij de kosten van de vloerbedekking reeds voldaan op 22 maart 2013. Die kosten deden zich ten tijde van de aanvraag op 27 maart 2013 dus niet meer voor. Voor verlening van bijzondere bijstand in die kosten was daarom geen plaats. De stelling dat appellante ten behoeve van de bekostiging van de vloerbedekking geld heeft moeten lenen dat zij moet terugbetalen, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat voor aflossing van schulden in beginsel geen recht op bijzondere bijstand bestaat.


Verhuis- en stofferingskosten


4.4.

Niet in geschil is dat de kosten van de verhuizing en de stoffering zich ten tijde van de aanvraag wel voordeden. Appellante heeft echter de door haar gestelde noodzaak van de kosten in haar individuele geval in het bijzonder de noodzaak van de verhuizing in verband met haar persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Ter toelichting op haar stellingen ter zake heeft appellante naar voren gebracht dat de voorzieningen in de omgeving van de oude woning voor haar niet goed bereikbaar waren en dat zij in de oude woning psychische klachten ontwikkelde door een sociaal isolement. Zij was dan ook door sociale en medische omstandigheden genoodzaakt om te verhuizen. Ter ondersteuning van haar stelling, heeft appellante een verklaring van 6 augustus 2013 van haar reumatoloog overgelegd. Hieruit blijkt echter slechts dat de reumatoloog de verhuizing achteraf ondersteunt. Een noodzaak voor de verhuizing blijkt hieruit niet. Een uitspraak over de fysieke beperkingen van appellante ontbreekt. Met betrekking tot de psychische klachten en de sociale omstandigheden heeft appellante in het geheel geen onderbouwende gegevens overgelegd.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat de kosten van de verhuizing en de stoffering niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten, zodat appellante geen recht heeft op bijzondere bijstand in die kosten.


4.6.

Nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij genoodzaakt was om te verhuizen behoeft haar stelling dat zij niet in staat was om voor de betreffende kosten te reserveren geen bespreking.


4.7.

Gelet op 4.1 tot en met 4.5 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015.




(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) C. Moustaïne




HD