Centrale Raad van Beroep, 08-09-2015 / 14/5167 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3084

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om kwijtschelding. De tegelijkertijd gepubliceerde toelichting bij de Beleidsregel vermeldt onder "Terugvorderingsbeleid" dat geen kwijtschelding wordt verleend bij dwanginvordering (beslag). Deze vermelding moet worden geacht als richtsnoer te dienen bij het gebruik van de in de Beleidsregel vervatte beslisvrijheid ter zake van kwijtschelding. Aldus vormen de beleidsregel en de toelichting daarop één geheel, aan de hand waarvan het college toepassing geeft aan de bevoegdheid om van verdere terugvordering af te zien. De beroepsgrond dat de toelichting buiten beschouwing moet worden gelaten treft daarom geen doel. Mandaatbesluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14/5167 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/5167 WWB

Datum uitspraak: 8 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 augustus 2014, 13/7441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend, schriftelijk vragen beantwoord en nadere stukken overgelegd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 28 juli 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 20 mei 1984 tot en met 31 januari 1995, met onderbrekingen, een bijstandsuitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW). De RWW is per 1 januari 1996 ingetrokken. Per dezelfde datum is de Algemene bijstandswet (AWB) vervangen door Algemene bijstandswet (Abw), waarin de bepalingen van de RWW deels zijn opgenomen. Bij beschikking van de kantonrechter van 17 januari 1996 is vastgesteld dat appellante ter voldoening van een terugvordering van ten onrechte verstrekte RWW-uitkering over de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 oktober 1992 ten bedrage van fl. 42.174,94 (€ 19.138,14) maandelijks aan het college een bedrag diende te betalen ter hoogte van het verschil tussen haar netto inkomen en de toepasselijke beslagvrije voet, totdat voornoemd totaalbedrag zou zijn voldaan. In de jaren 1994 en 1995 en in de periode van 1999 tot en met 2003 heeft appellante op de betreffende schuld afgelost. Per 1 januari 2004 is de Abw vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB). Vanwege het feit dat appellante haar betalingsverplichting niet meer nakwam heeft het college op 25 februari 2005 en 26 april 2007 beslag gelegd op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.


1.2.

Bij brief van 15 juli 2013 heeft appellante het college om kwijtschelding van haar schuld, die op dat moment nog € 6.014,66 bedroeg, verzocht. Bij besluit van 17 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 november 2013 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek onder verwijzing naar de toepasselijke beleidsregels afgewezen op de grond dat aflossing van de schuld door middel van dwanginvordering heeft plaatsgevonden. Van dringende redenen om desondanks het verzoek in te willigen is het college niet gebleken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de uitzonderingen op de verplichting om terug te vorderen, neergelegd in artikel 58, zevende lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), limitatief van aard zijn. Hierdoor is het volgens appellante niet mogelijk om in beleidsregels nadere voorwaarden te stellen, met uitzondering van begunstigend beleid. De voorwaarde dat geen kwijtschelding kan plaatsvinden indien dwangmatig is teruggevorderd (lees: ingevorderd), is niet als begunstigend beleid aan te merken. Voorts heeft appellante aangevoerd dat als het college al bevoegd is tot het vaststellen van beleid met betrekking tot artikel 58, zevende lid, van de WWB, deze bevoegdheid niet kan worden gemandateerd aan de directeur SoZaWe, gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bovendien ontbreekt een mandaatbesluit, althans is van publicatie daarvan niet gebleken. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de toelichting op de beleidsregels en daarmee de regel dat geen kwijtschelding wordt verleend als sprake is van dwanginvordering, geen beleid is. Dit kan derhalve niet aan appellante worden tegengeworpen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het beroep van appellante op de beperkingen die volgens haar uit artikel 58, zevende lid, van de WWB voortvloeien met betrekking tot de vaststelling van beleid, treft geen doel, reeds omdat uit het overgangsrecht van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid

SZW-wetgeving (Wet van 4 oktober 2012, Staatsblad 2012, 462, hierna: Wet aanscherping) volgt dat de wijziging van artikel 58, eerste lid, (waarbij de verplichting tot terugvordering is ingevoerd) en de toevoeging van artikel 58, zevende en achtste lid, van de WWB per 1 januari 2013 waarbij uitzonderingsmogelijkheden op het eerste lid zijn gecreëerd) niet van toepassing zijn op vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit artikel (artikel XXV, zesde lid, in samenhang gelezen met artikel XIV onder G van de Wet aanscherping). Hieruit volgt dat het college niet, behoudens uitzonderingen, verplicht, maar, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, bevoegd was om ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen ligt hierin besloten dat het college bevoegd was om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering, dus om het restant van de schuld kwijt te schelden.


4.2.

De beleidsregel waarop het bestreden besluit is gebaseerd is de Beleidsregel opschorting, intrekking, terug- en invordering WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK Rotterdam 2010 (Beleidsregel), vastgesteld door de directeur SoZaWe voor de uitoefening van de onder 4.1 bedoelde bevoegdheid. Anders dan appellante heeft aangevoerd is de Beleidsregel kenbaar bevoegd vastgesteld. In artikel 10:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel valt af te leiden dat als een bevoegdheid wordt gemandateerd, de mandaatgever bevoegd is over het gebruik van de bevoegdheid beleidsregels te geven. Mandaat van een beschikkingsbevoegdheid impliceert niet dat ook de veel ingrijpendere bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels wordt gemandateerd. Mandaat van beleidsregels is echter wel mogelijk, mits dat bij de mandaatverlening expliciet wordt bepaald (nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5, p. 87). Het college heeft de bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels inzake de uitoefening van de bevoegdheden van de WWB in overeenstemming met de artikelen 18 en 42 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2009 gemandateerd aan de directeur SoZaWe. Dit mandaatbesluit is op de gebruikelijke manier gepubliceerd in het Gemeenteblad van 12 juni 2009. Hieruit volgt dat de beroepsgrond dat de Directeur SoZaWe niet bevoegd was tot het stellen van beleidsregels en dat een mandaatsbesluit ontbreekt, althans dat van publicatie niet is gebleken, geen doel treft.


4.3.

De Beleidsregel bepaalt onder het hoofdstuk "Kwijtschelding op verzoek" in het eerste lid dat op verzoek van de belanghebbende kan worden besloten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien als de belanghebbende ten aanzien van de betreffende vordering a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan; b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c. een bedrag, overeenkomend met de contante waarde van de restantvordering, in één keer aflost. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, een termijn van tien jaar geldt als de terugvordering een gevolg is van niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht. De tegelijkertijd gepubliceerde toelichting bij de Beleidsregel vermeldt onder "Terugvorderingsbeleid" dat geen kwijtschelding wordt verleend bij dwanginvordering (beslag). Deze vermelding moet worden geacht als richtsnoer te dienen bij het gebruik van de in de Beleidsregel vervatte beslisvrijheid ter zake van kwijtschelding. Aldus vormen de beleidsregel en de toelichting daarop één geheel, aan de hand waarvan het college toepassing geeft aan de bevoegdheid om van verdere terugvordering af te zien. De beroepsgrond dat de toelichting buiten beschouwing moet worden gelaten treft daarom geen doel.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015.




(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) C. Moustaïne




HD