Centrale Raad van Beroep, 11-09-2015 / 14-407 AKW-T


ECLI:NL:CRVB:2015:3089

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek van appellant om aan hem de helft van de kinderbijslag te betalen. Het besluit bevat ten onrechte geen bezwaarclausule. Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren achterwege dient te blijven. Uit art 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag volgt dat indien kinderen op grond van een overeenkomst in gelijke mate worden verzorgd en onderhouden, beide personen recht hebben op betaling van de helft van de kinderbijslag. Daar is geen onderlinge toestemming over betaling van de kinderbijslag voor vereist. Het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste, althans onvolledige wettelijke grondslag. De Raad draagt de Svb op om het gebrek te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-11
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14-407 AKW-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/329
  • JB 2015/191
Uitspraak

14/407 AKW-T

Datum uitspraak: 11 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 december 2013, 13/891 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[Belanghebbende] te [woonplaats] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Belanghebbende heeft zich als partij gesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten. Belanghebbende is niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.Appellant heeft een relatie gehad met belanghebbende. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren. Op 23 oktober 2007 is de gezamenlijke huishouding verbroken. Appellant en belanghebbende hebben in verband daarmee enkele afspraken schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst van 23 oktober 2007. De overeenkomst bevat een bepaling waaruit blijkt dat de kinderen de helft van de tijd hetzij gezamenlijk bij appellant, hetzij gezamenlijk bij belanghebbende verblijven. De overeenkomst bevat geen afspraken over de onderhoudskosten van de kinderen of de kinderbijslag.


1.2.

Appellant heeft op 18 juni 2008 de Svb per e-mail bericht in aanmerking te willen komen voor de helft van de kinderbijslag omdat sprake is van co-ouderschap. De kinderen verblijven immers afwisselend een week bij appellant en bij belanghebbende. Bij brief van 22 augustus 2008 heeft de Svb appellant bericht dat geen sprake is van co-ouderschap en dat daarom geen kinderbijslag aan hem kan worden betaald. Aan appellant is meegedeeld dat aan hem pas de helft van de kinderbijslag kan worden betaald, als er onderlinge toestemming is en er gezamenlijk afspraken zijn gemaakt over de verzorging en de opvoeding van de kinderen. Die afspraken dienen onderling schriftelijk of in een rechtbankuitspraak te zijn vastgelegd. Tot slot is aan appellant verzocht geen informatie meer via de mail op te sturen.


1.3.

Op 16 april 2012 heeft appellant de Svb een e-mail gestuurd. Hij heeft daarin, onder verwijzing naar de brief van 22 augustus 2008, nogmaals betoogd dat vanaf 2007 sprake is van co-ouderschap. Hij heeft een beschikking van de rechtbank Haarlem van 7 februari 2012 overgelegd ter nadere onderbouwing van zijn standpunt. Voorts heeft appellant de Svb verzocht om hem de helft van de kinderbijslag toe te kennen over de reeds verstreken kwartalen en voor de toekomst. Vervolgens heeft appellant op 11 mei 2012 door middel van een aanvraagformulier kinderbijslag voor beide kinderen aangevraagd.


1.4.

Bij besluit van 30 juli 2012 heeft de Svb beslist dat appellant geen recht op kinderbijslag heeft op dezelfde gronden als gegeven in de brief van 22 augustus 2008. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.5.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft de Svb beslist dat er geen aanleiding is voor de aanvraag met langere terugwerkende kracht dan één jaar te beoordelen. Er is geen sprake van een bijzonder geval. De aanvraag van 11 mei 2012 is beoordeeld voor de kwartalen vanaf het tweede kwartaal van 2011. De daarvoor liggende kwartalen hoeven niet te worden beoordeeld. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.6.

Bij het bestreden besluit van 23 januari 2013 zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 30 juli 2012 en van 6 november 2012 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit heeft betrekking op het eerste kwartaal van 2008 tot en met het derde kwartaal van 2012. Betreffende het eerste kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2011 blijft de Svb bij het standpunt dat geen sprake is van een bijzonder geval, zodat de aanvraag geen betrekking kan hebben op deze kwartalen. Betreffende het tweede kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012 heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken blijkt - in het bijzonder uit een verzoekschrift van belanghebbende van 23 juni 2011 over kinderalimentatie - dat sprake is van een week-op-week-af-verdeling van de verzorging van de kinderen. Daarom kan co-ouderschap worden aangenomen. Appellant heeft echter geen recht op de helft van de kinderbijslag omdat uit de rechtbankbeschikking blijkt dat appellant heeft verklaard dat belanghebbende de volledige kinderbijslag behoudt, waar de rechtbank ook van uit is gegaan. Mede op basis hiervan, heeft de rechtbank de kinderalimentatie bepaald.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de periode van 23 juni 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012 en bepaald dat appellant voor de periode van het derde kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012 recht heeft op betaling van de helft van de kinderbijslag voor zijn beide kinderen. Op grond van wat appellant en belanghebbende hebben verklaard, staat volgens de rechtbank vast dat zij de kinderen in gelijke mate verzorgen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat zij de kinderen vanaf 23 juni 2011 in gelijke mate onderhouden. De rechtbank leidt dit af uit de beschikking van de Rechtbank Haarlem van 7 februari 2012 (ECLI:NL:RBHAA:2012:258) en de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:736), op grond waarvan appellant met ingang van 23 juni 2011 is gehouden naar draagkracht een bijdrage aan belanghebbende te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank acht het - anders dan de Svb - niet van belang dat de rechtbank en het gerechtshof er bij de berekening van die bijdrage van zijn uitgegaan dat belanghebbende de kinderbijslag ontvangt. Voor het recht op en de betaling van de kinderbijslag is bepalend de AKW en de daarop gebaseerde regelgeving. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. Er is niet gebleken van een eerdere aanvraag dan de aanvraag van 11 mei 2012. De in 2008 door appellant met de Svb gevoerde correspondentie over een mogelijke aanspraak heeft niet geresulteerd in een formeel verzoek om uitbetaling van de helft van de kinderbijslag.


3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij recht heeft op de helft van de kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2008 tot en met het tweede kwartaal van 2012. Er is in die periode sprake geweest van het in gelijke mate verzorgen en onderhouden van de kinderen. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat hij al op 18 juni 2008 een verzoek heeft gedaan tot betaling van de helft van de kinderbijslag aan hem. De Svb heeft appellant geen enkele mogelijkheid geboden tot indiening van een bezwaarschrift. Hij is ten onrechte afgehouden van welk formeel verzoek dan ook. In de brief van 22 augustus 2008 verzocht de Svb appellant immers uitdrukkelijk om verder geen informatie via de mail op te sturen. Nu de rechtbank heeft beslist dat sprake is van co-ouderschap in de periode van het derde kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012, geldt dat ook voor de eerdere kwartalen omdat de feitelijke situatie sinds de beëindiging van de samenleving op 23 oktober 2007 niet is gewijzigd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Svb op goede gronden heeft besloten tot afwijzing van het verzoek van appellant om aan hem de helft van de kinderbijslag te betalen over het eerste kwartaal van 2008 tot en met het tweede kwartaal van 2011. Het derde kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012 zijn in hoger beroep niet meer in geschil.


4.2.

De Raad is met appellant van oordeel dat hij op 18 juni 2008 een aanvraag heeft gedaan tot betaling van de helft van de kinderbijslag. De brief van de Svb van 22 augustus 2008 dient te worden gezien als een besluit op deze aanvraag. Het besluit bevat ten onrechte geen bezwaarclausule.


4.3.

Appellant heeft vervolgens eerst met de e-mail van 16 april 2012 gereageerd op het besluit van 22 augustus 2008. Dit bericht van appellant dient te worden gezien als bezwaarschrift en - voor de kwartalen gelegen na het derde kwartaal van 2008 als aanvraag van kinderbijslag. De Svb heeft op dat bezwaar en op die aanvraag nog niet beslist. Dat dient alsnog te geschieden. In het bestreden besluit is wel geoordeeld over de kwartalen vanaf het eerste kwartaal van 2008 maar met toepassing van artikel 14, derde lid, van de AKW en niet met toepassing van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Svb heeft ten onrechte louter artikel 14, derde lid, van de AKW aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en de rechtbank heeft ten onrechte de Svb hierin gevolgd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking komt. Vooruitlopend daarop wordt het volgende overwogen over de ontvankelijkheid van het bezwaar.


4.4.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat over een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1156) leidt het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit of een uitspraak in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. Dit lijdt uitzondering indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen.


4.5.

Het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 augustus 2008 is na afloop van de termijn ingediend. Een rechtsmiddelenclausule als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb ontbreekt in dat besluit. Dit klemt te meer nu appellant is verzocht geen informatie meer via de mail op te sturen. Appellant heeft hierop een beroep gedaan en gesteld dat de Svb hem geen enkele mogelijkheid heeft geboden tot indiening van een bezwaarschrift en dat hij is afgehouden van nadere actie. Voorts kan niet redelijkerwijs worden aangenomen dat appellant wist dat hij wel bezwaar moest maken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Svb het besluit niet heeft gepresenteerd als een voor bezwaar vatbaar besluit. Voorts is van belang dat appellant niet is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Tot slot is van belang dat in het besluit een onjuiste weergave van de toepasselijke regelgeving wordt gegeven. In het besluit van 22 augustus 2008 is ten onrechte gesteld dat één van de voorwaarden voor betaling van de helft van de kinderbijslag is dat daarvoor onderlinge toestemming is. Voorts is niet gewezen op artikel 18, vijfde lid van de AKW. Appellant is daardoor op het verkeerde been gezet. Gelet hierop kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van 16 april 2012 tegen het besluit van

22 augustus 2008 achterwege dient te blijven.


4.6.

Betreffende de voorwaarden voor betaling van de helft van de kinderbijslag wordt als volgt overwogen. Artikel 18 van de AKW luidde gedurende de in geschil zijnde kwartalen - voor zover van belang - als volgt:


“5. Indien twee of meer personen over eenzelfde tijdvak recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, in andere situaties dan bedoeld in het tweede en vierde lid, wordt betaald de kinderbijslag waarop degene recht heeft die de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert. Aan de andere personen wordt geen kinderbijslag uitbetaald. (…)

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot situaties van samenloop, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, nadere en aanvullende regels worden gesteld waarbij bepaald kan worden dat aan een ander persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald dan de persoon, bedoeld in het vierde en vijfde lid.”


Ten tijde in geding gold het Besluit van 20 december 1991 ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag (Samenloopbesluit kinderbijslag, Stb. 1991, 756) dat was gebaseerd op artikel 18 van de AKW. Artikel 5a van het Samenloopbesluit luidde ten tijde in geding als volgt:


“1. Indien twee personen op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld betaald aan deze personen terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.”


Hieruit volgt dat indien kinderen op grond van een overeenkomst in gelijke mate worden verzorgd en onderhouden, beide personen recht hebben op betaling van de helft van de kinderbijslag. Daar is geen onderlinge toestemming over betaling van de kinderbijslag voor vereist. Integendeel, juist als beide personen een andere verdeling willen dan bij helfte, dienen zij dat nader overeen te komen. Indien geen sprake is van gelijke verzorging en onderhoud op basis van een overeenkomst, kan artikel 18, vijfde lid, een rol spelen. Op grond van dat artikellid is bepalend wie de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert. Ook dan is geen onderlinge toestemming over betaling van de kinderbijslag vereist.


5. In 4.3 is geconcludeerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste, althans onvolledige wettelijke grondslag. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de Svb op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt de Svb op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het in 5 omschreven gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2015.



(getekend) T.L. de vries




(getekend) J.R. van Ravenstein


AP