Centrale Raad van Beroep, 04-09-2015 / 12-2185 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3096

Inhoudsindicatie
Uit art. 56, lid 2, Wet WIA en de daarop gegeven toelichting blijkt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest voor de beëindiging van de LGU een afzonderlijke, van de hoofdregel voor beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkende, regeling te treffen. Als de wetgever, zoals het Uwv voorstaat, een inbreuk op die regel aanvaardbaar zou hebben geacht in een situatie als thans in dit geschil aan de orde is, dan had het voor de hand gelegen dat de wetgever daar expliciet bij had stilgestaan. Dat is niet gebeurd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-04
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
12-2185 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

12/2185 WIA

Datum uitspraak: 4 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

20 maart 2012, 11/2376

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Belanghebbende] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

De Raad heeft het onderzoek heropend en een vraag voorgelegd aan het Uwv. Hierop is een reactie van het Uwv ontvangen. Namens appellante is hierop gereageerd. Van de zijde van het Uwv is daarop een reactie gegeven.

Namens appellante is een brief van 23 april 2015 van een psychiater van GGZ Centraal alsmede een rapport van 16 maart 2015 van een psycholoog van GGZ Centraal ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering gedateerd op 27 maart 2015, niet verschenen. Het Uwv heeft, zoals tevoren schriftelijk was aangekondigd, zich niet laten vertegenwoordigen.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster, heeft zich op 27 juli 2009 ziek gemeld vanwege zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij heeft na afloop van haar bevallingsverlof haar werk niet hervat omdat zij last had van, onder meer, voet- en enkelklachten en ook psychische klachten. Naar aanleiding van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante onderzocht. De verzekeringsarts heeft een aantal beperkingen vastgesteld ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. Voorts heeft hij haar beperkt geacht met betrekking tot trillingsbelasting en een aantal dynamische handelingen en statische houdingen. Ten slotte heeft de verzekeringsarts appellante beperkt geacht ten aanzien van onregelmatige werktijden/wisselende diensten en heeft hij aanleiding gezien tot het stellen van een urenbeperking tot 20 uur per week. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 mei 2011. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden bepaald op 39%. Gelet op deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 25 mei 2011 vastgesteld dat appellante vanaf 25 juli 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU). De einddatum van de LGU is vastgesteld op 25 maart 2013.


1.2.

Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van 25 mei 2011 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv appellante op 25 augustus 2011 onderzocht. Op basis van eigen onderzoek en van de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige en orthopedisch chirurg van appellante verkregen inlichtingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de verzekeringsarts in verband met de fysieke klachten aangenomen beperkingen gehandhaafd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante echter minder beperkt geacht ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, omdat er geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis. Om deze reden heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen aanleiding gezien voor een urenbeperking tot 20 uur per week. De nader vastgelegde mogelijkheden en beperkingen zijn neergelegd in een FML van 3 oktober 2011. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv vastgesteld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Gelet op deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 2 november 2011 (bestreden besluit) vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 juli 2011 minder dan 35% bedraagt, dat het besluit van 25 mei 2011 wordt ingetrokken en dat de aan appellante toegekende LGU wordt ingetrokken met ingang van twee maanden na de datum van de beslissing op bezwaar.


2.1.

In beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Appellante kan zich niet vinden in de bijstelling van de FML en het vervallen van de urenbeperking. Zij acht de hiervoor gegeven motivering onvoldoende. Het Uwv is teruggekomen van een eerder medisch oordeel, waarvoor zwaardere motiveringseisen gelden. Omdat de FML van 3 oktober 2011 niet juist is, berust ook de arbeidskundige beoordeling op een onjuiste grondslag. Appellante acht voorts de intrekking van de LGU met ingang van twee maanden na de beslissing op bezwaar onjuist. Volgens appellante dient het Uwv, als er sprake is van een afname van arbeidsongeschiktheid, de uitkering op grond van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA voort te zetten tot het bereiken van het eind van de termijn waarvoor de LGU is verstrekt.


2.2.

Bij brief van 3 februari 2012 heeft appellante deze laatste grond nader uitgewerkt. Appellante stelt zich primair op het standpunt dat de Wet WIA niet voorziet in de mogelijkheid om, in een situatie als waarin appellante verkeert, de LGU met een uitlooptermijn van twee maanden in te trekken. Onder verwijzing naar de desbetreffende passages van de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA (MvT) heeft appellante betoogd dat op de onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bestaande mogelijkheid een lopende uitkering met een uitlooptermijn te beëindigen, in artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA een uitzondering is gemaakt, die tot gevolg heeft dat appellante, zou zij geen bezwaar hebben gemaakt, nog tot 25 maart 2013 recht op de haar toegekende LGU zou hebben gehad.


2.3.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante en acht deze conclusies ook overigens voldoende gemotiveerd. Appellante heeft haar standpunt dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen onvoldoende aannemelijk gemaakt en heeft ter onderbouwing van dit standpunt ook geen medische gegevens in het geding gebracht. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA voor het Uwv de verplichting voortvloeit de WIA-uitkering in te trekken indien deze ten onrechte is toegekend. In het kader van de bezwaarprocedure kan aan deze verplichting buiten de gronden van het bezwaar vorm worden gegeven in de te nemen beslissing op bezwaar.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald en het oordeel van de rechtbank bestreden dat het Uwv bevoegd was om in dit geval de

WIA-uitkering op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA in te trekken. De intrekking van de LGU-uitkering met terugwerkende kracht is niet in overeenstemming met artikel 56, tweede lid, van de Wet Wia, noch met de door het Uwv, overigens niet gepubliceerde, richtlijnen waarin, onder meer, is opgenomen dat een na werkgeversbezwaar vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, geen gevolgen heeft voor het recht, duur en hoogte van de uitkering. Voor wat betreft de medische grondslag is ter ondersteuning van haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat, namens appellante informatie van 25 juni 2013, 23 april 2014 en 16 maart 2015 van de

GGZ Centraal overgelegd. Appellante heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente. Ten slotte heeft appellante verzocht het Uwv te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op basis van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) wegens overschrijding van de redelijke termijn.


3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA slechts ziet op situaties waarin een verzekerde niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Als in de heroverweging na bezwaar alsnog wordt vastgesteld dat per einde wachttijd een verzekerde niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, kan niet worden gesproken van een niet langer arbeidsongeschikt zijn. In de door appellante genoemde passages van de MvT heeft het Uwv geen aanknopingspunten gevonden om artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA anders uit te leggen.


3.3.

Bij brief van 20 oktober 2014 heeft de Raad het Uwv de vraag voorgelegd hoe het bestreden besluit zich verhoudt tot Hoofdstuk 6B Uwv-richtlijnen bezwaarproces, Theoretische schatting bij (her)beoordeling WIA-aanspraken; heroverweging in bezwaar, versie 17 juni 2014, onderdeel 5.3, onder f (de Uwv-richtlijnen bezwaarproces). Hierin is het volgende vermeld:


“Apart aandacht behoeft de situatie waarin bij de primaire beschikking LGU is toegekend en in bezwaar wordt vastgesteld dat de verzekerde per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Op grond van artikel 56, lid 2, Wet WIA eindigt het recht op WGA-uitkering van de verzekerde die minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die recht heeft op LGU niet eerder dan op de dag dat de LGU eindigt. In de hier bedoelde gevallen is weliswaar bij de primaire beschikking vastgesteld dat de verzekerde recht heeft op LGU, maar wordt in bezwaar vastgesteld dat de verzekerde per einde wachttijd al minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Toch wordt er van uitgegaan dat ook in dit geval het recht op WGA-uitkring niet eerder eindigt dan op de dag waarop de LGU eindigt.”


3.4.

Desgevraagd heeft het Uwv nader uiteengezet dat ten tijde van de afgifte van het bestreden besluit de Uwv-richtlijnen bezwaarproces inzake een toegekende LGU-uitkering nog niet waren ingevoerd. De intrekking van de LGU-uitkering met twee maanden na afgifte, zoals neergelegd in het bestreden besluit, komt niet in strijd met deze nieuwe richtlijnen, omdat aan appellante alsnog een WW-uitkering is toegekend die evenals de (ingetrokken) LGU-uitkering loopt tot 25 maart 2013. Omdat de toekenning van de WW-uitkering tot een kleine nabetaling heeft geleid, heeft appellante hier geheel geen nadeel en zelfs een klein voordeel, aan ondervonden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad stelt voorop dat het feit dat het Uwv in plaats van de ingetrokken LGU een WW-uitkering heeft toegekend niet tot gevolg heeft dat appellante geen belang bij de beoordeling van haar hoger beroep zou hebben. Zoals appellante in haar brief van

30 december 2014 terecht te kennen heeft gegeven, heeft het bestreden besluit onder meer tot gevolg dat de in artikel 55 van de Wet WIA gestelde termijn van vijf jaar voor de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid op een vroeger tijdstip eindigt dan het geval zou zijn in de situatie dat haar LGU doorloopt tot de in het besluit van 25 juni 2011 bepaalde einddatum.


4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische onderbouwing. De in hoger beroep door appellante overgelegde brief van 23 april 2014 van GGZ Centraal bevat geen nieuwe dan wel andere informatie omtrent de medische situatie van appellante dan reeds bekend was die aanleiding zou kunnen geven tot twijfel aan de medische beoordeling. De Raad volgt appellante dan ook niet in haar stelling dat de FML van 3 oktober 2010 niet aan de arbeidskundige beoordeling ten grondslag had mogen worden gelegd. Het feit dat het Uwv in de bezwaarprocedure is teruggekomen van een eerder medisch oordeel heeft, anders dan appellante heeft betoogd, niet tot gevolg dat voor deze vaststelling een zwaardere motiveringseis geldt dan de door artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven deugdelijke motivering. Op grond van de rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv in het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

25 juli 2011 dan ook terecht bepaald op minder dan 35%.


4.2.1.

Het hoger beroep van appellante slaagt voor zover het is gericht tegen het intrekken van het besluit van 25 mei 2011 en het intrekken van de aan appellante toegekende LGU met ingang van twee maanden na de datum van het bestreden besluit. Hiertoe wordt het volgende overwogen.


4.2.2.

Partijen zijn in dit verband verdeeld over de uitleg van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA. Ingevolge artikel 56, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA eindigt het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Ingevolge het tweede lid eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, in afwijking van het eerste lid onder a, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, maar niet eerder dan op de dag dat de LGU eindigt. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2004-2005, 30 034, nr. 3) is deze bepaling als volgt toegelicht:


“Het recht op WGA-uitkering eindigt in beginsel ook als de betrokkene niet meer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Daarop geldt een uitzondering als de betrokkene een WGA-uitkering in de loongerelateerde fase ontvangt. In die fase eindigt het recht op WGA-uitkering niet als hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt. De reden daarvan is dat de loongerelateerde WGA-uitkering in de plaats komt van de WW-uitkering.” (MvT p. 69-70)

“De uitlooptermijn in het tweede en in het derde lid, kan echter ook langer zijn, namelijk in de situatie dat de verzekerde nog recht heeft op een loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering. In die situatie eindigt de WGA-uitkering pas aan het einde van de loongerelateerde uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat de verzekerde in een voorkomend geval een beroep zal moeten doen op de WW. De voorwaarden voor en de hoogte van een werkloosheidsuitkering zijn immers identiek aan die voor een loongerelateerde WGA-uitkering.” (MvT p. 191)


4.2.3.

Uit de genoemde wettelijke bepaling en de daarop gegeven toelichting blijkt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest voor de beëindiging van de LGU een afzonderlijke, van de hoofdregel voor beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkende, regeling te treffen. Als de wetgever, zoals het Uwv voorstaat, een inbreuk op die regel aanvaardbaar zou hebben geacht in een situatie als thans in dit geschil aan de orde is, dan had het voor de hand gelegen dat de wetgever daar expliciet bij had stilgestaan. Dat is niet gebeurd.


4.2.4.

Gelet op de overwegingen in 4.2.2 en 4.2.3 is het aan het bestreden besluit door het Uwv neergelegde standpunt niet in overeenstemming met artikel 56, tweede lid, van de

Wet WIA. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, evenals het bestreden besluit, voor zover hierbij het besluit van 25 mei 2011 is ingetrokken en de aan appellante toegekende LGU is ingetrokken.


4.2.5.

Opgemerkt wordt nog dat ter zitting van 21 maart 2014 namens het Uwv is meegedeeld dat het Uwv na het nemen van het bestreden besluit landelijk beleid heeft opgesteld dat is neergelegd in de in 3.3. vermelde richtlijnen bezwaarproces waarin, anders dan het standpunt waarop het bestreden besluit berust, is bepaald dat een loongerelateerde WGA-uitkering, ook indien in bezwaar de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt naar minder dan 35%, niet eerder eindigt dan op de einddatum van die (toegekende) uitkering. Hieruit blijkt dat het standpunt van het Uwv in overeenstemming is met het oordeel van de Raad.


4.3.

Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen Wet WIA-uitkering dient te worden afgewezen. Door appellante is niet ontkend dat de aan haar, in verband met het bestreden besluit, toegekende WW-uitkering heeft geleid tot een (kleine) nabetaling. Omzetting van de WW-uitkering naar een LGU-uitkering zal dan ook niet leiden tot een nabetaling.


5.1.

Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding door de bestuursrechter van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt toegewezen.


5.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.


5.3.

In het geval van appellante staat vast dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 7 juni 2011 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en twee maanden zijn verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met twee maanden is overschreden.


5.4.

De overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de rechterlijke fase. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift van appellante door de rechtbank op 16 november 2011 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank tot de uitspraak van 20 maart 2012 ruim

vier maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 17 april 2012 tot de datum van deze uitspraak ruim drie jaar en

vier maanden geduurd. De behandeling in de rechterlijke fase heeft dus in totaal meer dan

drie en een half jaar geduurd.


5.5.

Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 500,-.


6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 43,50 aan reiskosten, in totaal € 2.003,50. Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is geen grond, omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


























BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond tegen het besluit van 2 november 2011, voor zover hierbij het

besluit van 25 mei 2011 is ingetrokken en de met ingang van 25 juli 2011 toegekende

WGA-uitkering is ingetrokken en vernietigt het besluit van 2 november 2011 in zoverre;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 156,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.003,50.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.W. Akkerman en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) M.D.F. de Moor




AP