Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 14-2849 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3099

Inhoudsindicatie
Het geschil spitst zich nog toe op de vraag of appellante in de periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 haar woonplaats had in [woonplaats] of daarbuiten. Met de geschetste feiten en omstandigheden is niet aannemelijk gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode het centrum van haar maatschappelijk leven heeft verplaatst van [woonplaats] naar [plaatsnaam 2]. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke feitelijke grondslag. Bestreden besluit herroepen vzv periode betreft en opdracht nieuw besluit over TV.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-2849 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/2849 WWB

Datum uitspraak: 1 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 april 2014, 13/1549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst, Kop van Noord-Holland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2015. Namens appellante is verschenen mr. Van Hoof. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.C.D. de Haan-de Ronde.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft sinds 26 februari 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat met haar dochter ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

De dochter is in september 2012 meerderjarig geworden. De daaruit voortvloeiende wijziging van de bijstandsnorm was aanleiding voor een heronderzoek. Daarbij is uit de bankafschriften van appellante gebleken dat zij met regelmaat pinopnames doet in de buurt van [plaatsnaam 1] . Naar aanleiding hiervan heeft de Sociale Recherche Noord-Holland Noord (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daartoe heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, observaties verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en in de omgeving van de woning van haar voormalige partner [naam voormalig partner] (H) aan [adres 2] te [plaatsnaam 2] , buurtbewoners gehoord uit de omgeving van het uitkeringsadres en appellante en H gehoord. H heeft verklaard dat appellante vanaf mei/april 2012 tot de datum van het gehoor op 28 maart 2013 voornamelijk in [plaatsnaam 2] is geweest. Appellante was volgens H gemiddeld 2 dagen in de week in haar eigen woning in [woonplaats] . Appellante zelf verklaarde dat zij op beide adressen haar privéleven leidt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 april 2013.


1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 13 mei 2013 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2013 in te trekken, bij besluit van 27 mei 2013 de bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met 31 maart 2013 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met

30 april 2013 tot een bedrag van € 6.386,91 van appellante terug te vorderen. Omdat het dagelijks bestuur bij besluit van 7 juni 2013 met ingang van 1 april 2013 opnieuw bijstand aan appellante had toegekend, heeft het bij besluit van 18 juni 2013 het besluit van 27 mei 2013 herzien in die zin dat het de kosten van bijstand over de periode van 1 april 2012 tot 1 april 2013 van appellante terugvordert tot een bedrag van € 6.033,61.


1.4.

Bij besluit van 19 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 13 mei 2013 en 27 mei 2013 zoals gewijzigd bij het besluit van 18 juni 2013, ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de grond dat appellante in de periode van 1 april 2012 tot en met 31 maart 2013 buiten een gemeente van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Kop van Noord -Holland (ISD KNH gemeente) woont.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat appellante in de periode van 1 januari 2013 tot 1 april 2013 niet in [woonplaats] , althans een ISD KNH gemeente, haar woonplaats had. Het geschil spitst zich nog toe op de vraag of appellante in de periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 (te beoordelen periode) buiten [woonplaats] , of buiten een ISD KNH gemeente haar woonplaats heeft gehad.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.1.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937) is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid, van de WWB voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.3.2.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560.


4.4.

Niet in geschil is dat appellante voorafgaande aan de te beoordelen periode haar woonplaats had in [woonplaats] . Appellante heeft betoogd dat de verklaring van H onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat zij in de te beoordelen periode niet in [woonplaats] haar woonplaats had. Deze grond slaagt. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante in de periode vanaf juli 2012 regelmatig pinde in de buurt van [plaatsnaam 1] , maar zij pinde ook in [woonplaats] . Voorts volgt uit de gedingstukken dat appellante in de te beoordelen periode naar een fysiotherapeut in [woonplaats] ging. Uit de verklaringen van de buurtbewoners in de omgeving van het uitkeringsadres komt wel naar voren dat daar de dochter en haar vriend verblijven en dat appellante daar niet of weinig gezien wordt, maar niet dat appellante in de te beoordelen periode haar woonplaats heeft verplaatst. Uit de verklaring van H volgt wel dat appellante voornamelijk bij hem verbleef, maar regelmatig enkele dagen terugkeerde naar haar eigen huis. Het dagelijks bestuur heeft verder geen onderzoek gedaan naar feiten en omstandigheden waaruit de wil van appellante blijkt dat zij haar woonplaats in [woonplaats] had opgegeven. Zo is bijvoorbeeld geen onderzoek gedaan naar de vraag waar appellante in de te beoordelen periode haar post ontving en haar administratie en haar kleding bewaarde. De verklaring van H dat er kleding van appellante op zijn adres ligt is daarvoor te onduidelijk. Evenmin is onderzoek gedaan naar overige feiten en omstandigheden die kunnen wijzen op de wil om de woonplaats te verplaatsen, zoals bijvoorbeeld telefoon- en internetaansluitingen, verzekeringen en inschrijvingen bij dienstverleners in de gezondheidszorg. Met de hier geschetste feiten en omstandigheden heeft het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt dat appellante het centrum van haar maatschappelijk leven in de te beoordelen periode op enig moment heeft verplaatst van [woonplaats] naar [plaatsnaam 2] . Het enkele feit dat appellante voornamelijk in [plaatsnaam 2] was is onvoldoende om aan te nemen dat zij haar woonstede in [woonplaats] heeft willen prijsgeven.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat het bestreden besluit, waarbij het dagelijks bestuur de bijstand van appellante in de te beoordelen periode heeft ingetrokken en teruggevorderd, niet zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 en voor zover het ziet op de terugvordering als geheel, die immers ondeelbaar is.


4.6.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Gelet op het dossier, het tijdsverloop en het verhandelde ter zitting is onaannemelijk dat nader onderzoek door het dagelijks bestuur nog een toereikende grondslag zal opleveren voor de conclusie dat appellante van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 haar woonplaats niet in [woonplaats] had. Een andere (wettelijke) grondslag voor de intrekking heeft het dagelijks bestuur niet verdedigd. Gelet hierop zal de Raad het besluit van 27 mei 2013 herroepen voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012. Ten aanzien van de terugvordering zal het dagelijks bestuur worden opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu dat slechts nog een financiële uitwerking betreft, is de toepassing van een bestuurlijke lus niet aangewezen.


5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 juli 2013 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van

de bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 en voor zover het

betrekking heeft op de terugvordering;

- herroept het besluit van 27 mei 2013 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de

bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van

19 juli 2013;

- draagt het dagelijks bestuur op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen over de

terugvordering;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.960,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD