Centrale Raad van Beroep, 15-01-2015 / 14-3096 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:31

Inhoudsindicatie
Intrekking toelage werving en behoud. Appellant heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en het feit dat betrokkene op projectmatige basis werd ingezet, tot gevolg hadden dat de gronden voor het toekennen van de toelage werving en behoud niet meer aanwezig waren. Beëindiging representatietoelage. De Raad is van oordeel dat noch uit het aanstellingsbesluit, noch uit de overige stukken kan worden afgeleid dat de representatietoelage op structurele basis aan betrokkene was toegekend. Niet langer beschikbaar stellen dienstauto. Niet is gebleken van individuele toezeggingen. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-16
Zaaknummer
14-3096 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3096 AW

Datum uitspraak: 15 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 oktober 2013 (tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 april 2014, 11/9264 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Korpschef van de politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil appellant in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.Y. Yeh een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.A. Nathans. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Yeh.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene is met ingang van 1 september 2001 aangesteld als hoofd van de [Dienst] van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Bij die aanstelling is aan hem om redenen van werving en behoud op grond van artikel 19 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) een toelage toegekend die bij goed functioneren over een periode van drie jaar drie maal wordt aangepast en uiteindelijk f 2.356,00 per maand bedraagt. Aan de functie van hoofd [Dienst] is verder een representatietoelage verbonden van netto f 200,- per maand. Tevens is aan betrokkene een dienstauto ter beschikking gesteld voor dienstreizen en woon-werkverkeer.


1.2.

Met ingang van 1 januari 2006 is betrokkene voor de duur van drie jaar gedetacheerd bij de Politieacademie. Per diezelfde datum is aan betrokkene eervol ontslag verleend, onder gelijktijdige aanstelling in de functie ‘medewerker nader in te delen personeel’ bij het KLPD. In de desbetreffende detacheringsovereenkomst (detacheringsovereenkomst 1) is vastgelegd dat voor betrokkene onverkort de rechtspositie geldt zoals deze gold bij de uitzendende partij. Voorts is aan betrokkene een dienstvoertuig ter beschikking gesteld. Onder salariskosten worden op grond van artikel 12 van detacheringsovereenkomst 1 verstaan een bruto bedrag per maand, inclusief een toelage werving en behoud, de representatiekosten en de kosten van het dienstvoertuig. Die detachering is verlengd tot 1 december 2009.


1.3.

Met ingang van 1 december 2009 is betrokkene tot en met 30 november 2010 gedetacheerd bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ministerie) om leiding te geven aan een project. In de detacheringsovereenkomst (detacheringsovereenkomst 2) is bepaald dat de uitlenende organisatie het bevoegd gezag is voor de toepassing van de rechtspositie en dat de tewerkstelling bij de inlenende organisatie geen gevolgen met zich brengt voor de rechtspositie van betrokkene, tenzij in die overeenkomst expliciet anders is bepaald. Deze detachering is verlengd tot 1 december 2011.


1.4.

In januari 2010 heeft de dienstleiding met betrokkene gesproken over de rechtmatigheid van de representatietoelage, de toelage werving en behoud en de beëindiging van het gebruik van de hem ter beschikking gestelde dienstauto. Appellant heeft bij besluit van

6 september 2010 bepaald dat de dienstauto per 1 december 2010 wordt teruggenomen, dat de toelage voor werving en behoud wordt beëindigd met een gefaseerde afbouw in een jaar, dat uit redenen van coulance aan betrokkene een blijvende toelage van 5% van het bruto maandsalaris wordt toegekend en dat de representatietoelage per 1 september 2010 wordt beëindigd.


1.5.

Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 september 2010 is bij besluit van

25 oktober 2011 (bestreden besluit) in zoverre gegrond verklaard dat de datum waarop de toelage voor werving en behoud en de representatietoelage worden beëindigd is gewijzigd in 1 december 2011, zijnde de datum waarop de detachering bij het ministerie eindigt.


2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit detacheringsovereenkomst 2 voortvloeit dat betrokkene in ieder geval gedurende de detachering aanspraak heeft op dezelfde rechtspositie, waaronder het gebruik van de dienstauto. Omdat de beëindiging van het gebruik van de dienstauto niet is besproken bij de verlenging van de detachering, had betrokkene in ieder geval recht op het gebruik daarvan tot 1 december 2011. Een andere opvatting komt volgens de rechtbank in strijd met de eisen van rechtszekerheid. Het bestreden besluit kan op dat onderdeel volgens de rechtbank niet in stand blijven en moet worden vernietigd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant bevoegd was wijzigingen door te voeren in de rechtspositie van appellant per 1 december 2011. Voor zover het betreft de beëindiging van het gebruik van de dienstauto acht de rechtbank het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd omdat het bestreden besluit niet ingaat op de vraag of appellant gelet op de toepasselijke regelgeving aanspraak kan blijven maken op het gebruik van de dienstauto. Voor wat betreft de representatietoelage en de toelage werving en behoud geldt dat appellant dient te motiveren welke veranderde feiten en omstandigheden maken dat betrokkene vanaf 1 december 2011 geen aanspraak meer heeft op deze toelagen. De rechtbank heeft aan appellant de gelegenheid gegeven om de geconstateerde gebreken te herstellen.


3. Appellant heeft de rechtbank bij brief van 19 november 2013 bericht geen gebruik te maken van de gelegenheid om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Omdat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een onjuiste interpretatie en een onjuiste weergave van meerdere feiten, achtte appellant nader motiveren van het bestreden besluit niet zinvol.


4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en aan appellant opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant het gebrek dat was vastgesteld in de tussenuitspraak niet heeft hersteld en dat zij geen aanleiding ziet terug te komen van de tussenuitspraak.


5. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank op basis van een onjuiste interpretatie van feiten tot haar oordeel is gekomen.


6. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat hij destijds is gevraagd de functie van hoofd [Dienst] te vervullen vanwege zijn specifieke deskundigheid en dat bij aanvang van het dienstverband is gesproken over arbeidsvoorwaarden en plaatsing in schaal 16. Plaatsing in die schaal was niet mogelijk bij zijn aanstelling, omdat de functie van Hoofd [Dienst] in schaal 15 was ingedeeld. Om hem op gelijke wijze te belonen als in de functie die hij daaraan voorafgaand verrichtte, is aan betrokkene een toelage tot werving en behoud toegekend, hetgeen in die tijd zeer gebruikelijk was als permanente aanvulling op het salaris. Over de representatietoelage en het gebruik van de dienstauto is op gelijke wijze gesproken bij indiensttreding. Bij de gesprekken voorafgaand aan de detacheringen heeft betrokkene de voorwaarde gesteld dat de arbeidsvoorwaarden ongewijzigd zouden blijven.


7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Toelage werving en behoud


7.1.

Op grond van artikel 22 van het Bbp kan een toelage die is toegekend om reden van werving en behoud worden ingetrokken indien de gronden waarop de toelage wordt toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.


7.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak om betrokkene te behouden voor de organisatie is weggevallen als gevolg van de veranderde omstandigheden op de arbeidsmarkt en de omstandigheden en belangen binnen de organisatie. Doordat betrokkene op projectmatige basis werd ingezet, had appellant niet meer een dermate groot belang bij het behoud van betrokkene voor de organisatie dat het uitkeren van een toelage werving en behoud gerechtvaardigd zou zijn.


7.3.

Uit de stukken komt niet naar voren dat de toelage werving en behoud bij de aanstelling, zoals betrokkene heeft gesteld, permanent is toegekend. Weliswaar is aannemelijk dat de toelage op dat moment diende ter overbrugging van het verschil tussen het salaris van hoofd [Dienst] in schaal 15 en zijn salaris in de functie daaraan voorafgaand in schaal 16, maar daaruit volgt niet dat die toelage een permanent karakter had. In de detacheringsovereenkomst 1 is vastgelegd dat de toelage werving en behoud behoort tot de salariskosten. Dergelijke afspraken zijn niet gemaakt in de detacheringsovereenkomst 2. De omstandigheid dat de toelage werving en behoud in stand is gehouden tijdens de detacheringen, neemt niet weg dat op het moment dat wordt vastgesteld dat de daaraan ten grondslag gelegde reden is komen te vervallen, die toelage kan worden ingetrokken, in dit geval na beëindiging van de detachering bij het ministerie. Appellant heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en het feit dat betrokkene op projectmatige basis werd ingezet, tot gevolg hadden dat de gronden voor het toekennen van de toelage werving en behoud niet meer aanwezig waren.

Appellant was derhalve bevoegd de toelage werving en behoud in te trekken. Door een afbouwtermijn van een jaar te hanteren, en aldus rekening te houden met de belangen van betrokkene, heeft appellant in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik kunnen maken. Het hoger beroep slaagt in zoverre.


Representatietoelage


7.4.

Op grond van artikel 20 van het Bbp kan aan de ambtenaar als tegemoetkoming in de representatiekosten een toelage worden toegekend tot een maximum van 5% van het salaris.


7.5.

Appellant heeft aangevoerd dat de representatietoelage verbonden was aan de functie van hoofd [Dienst]. Nu betrokkene die functie niet meer verricht, was hij gerechtigd de toelage te beëindigen. De Raad is van oordeel dat noch uit het aanstellingsbesluit, noch uit de overige stukken kan worden afgeleid dat de representatietoelage op structurele basis aan betrokkene was toegekend. Anders dan betrokkene heeft gesteld, kan uit de omstandigheid dat de representatietoelage nadat betrokkene uit zijn functie van hoofd [Dienst] was ontslagen, gedurende de detacheringen is doorbetaald, niet worden afgeleid dat die toelage een structureel karakter had. Nu de grondslag voor een representatietoelage is vervallen, heeft appellant op goede gronden besloten om de representatietoelage niet langer toe te kennen. Het hoger beroep slaagt op dit onderdeel.


Dienstauto


7.6.

Op grond van artikel 2, tweede lid aanhef en onder a, van de Regeling functiegebonden dienstvoertuigen Klpd 2006 en Bijlage I is aan betrokkene voor de uitoefening van zijn functie van hoofd [Dienst], een dienstauto ter beschikking gesteld, aanvankelijk voor dienstreizen en woon-werkverkeer en met ingang van 15 november 2005 ook voor privé-gebruik. Voor de tijd dat betrokkene was gedetacheerd bij de Politieacademie is in detacheringsovereenkomst 1 bepaald dat betrokkene tijdens de detachering gebruik maakte van een dienstgebonden voertuig. Tijdens die detachering was dus sprake van een individuele afspraak voor de terbeschikkingstelling van een dienstauto als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling.


7.7.

In detacheringsovereenkomst 2 met het Ministerie is geen bepaling opgenomen over het gebruik van een dienstauto. Met betrekking tot reiskosten zijn daarin bepalingen opgenomen over betaling van reiskostenvergoeding door het KLPD en vergoeding van reiskosten door de minister aan het KLPD. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, vloeit uit de bepaling in de detacheringsovereenkomst 2 die inhoudt dat: ‘de tewerkstelling bij de inlenende organisatie geen gevolgen met zich meebrengt voor de rechtspositie van de gedetacheerde tenzij in deze overeenkomst expliciet anders is bepaald’ niet voort dat de terbeschikkingstelling van de dienstauto niet kon worden beëindigd als daartoe geen grondslag meer aanwezig was. Vanaf het moment van detachering bij het ministerie had betrokkene immers niet langer uit hoofde van zijn functie of een individuele afspraak aanspraak op een dienstauto op grond van de Regeling, zoals hij tot 1 december 2009 wel had. De omstandigheid dat het gebruik van de dienstauto tot 1 december 2010 is voortgezet, betekent ook niet dat appellant dat gebruik niet kon beëindigen. Voorts doet dit niet af aan de rechtspositie van betrokkene, die immers uit hoofde van de op zijn aanstelling van toepassing zijnde rechtspositionele bepalingen aanspraak kan maken op vergoeding van reiskosten. Nu ook overigens niet is gebleken van individuele toezeggingen, heeft appellant op goede gronden besloten de dienstauto niet langer aan betrokkene ter beschikking te stellen. Het hoger beroep slaagt in zoverre.


Overschrijding redelijke termijn


7.8.

Betrokkene heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door appellant.


7.9.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.


7.10.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door appellant op

20 oktober 2010 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna drie maanden verstreken. Er is sprake van een te lange behandelingsduur bij appellant, nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 oktober 2010 en het bestreden besluit van 25 oktober 2011, een jaar en enkele dagen zijn verstreken. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel is geen sprake, nu deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Er is geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met bijna drie maanden is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,–. Van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken.


7.11.

Uit het voorgaande vloeit voort dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond dient te worden verklaard, het bestreden besluit dient te worden vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit en appellant dient te worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.


8. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de tussenuitspraak;

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 oktober 2011 in stand blijven;

- veroordeelt appellant tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B. Barentsen, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2015.




(getekend) K.J. Kraan




De griffier is buiten staat te ondertekenen





IJ