Centrale Raad van Beroep, 06-02-2015 / 14-2726 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:310

Inhoudsindicatie
Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep was ingediend buiten de beroepstermijn. Geen sprake van verschoonbaarheid voor de overschrijding van de beroepstermijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-06
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
14-2726 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2726 WAO

Datum uitspraak: 6 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 maart 2014, 13/1679 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN


1. Appellant ontving sinds 1 april 1992 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 7 december 2012 heeft het Uwv de WAO-uitkering beëindigd met ingang van 25 december 2012 omdat appellant vanaf die datum een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet ontvangt. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 24 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard en het eerdere besluit gehandhaafd.


2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep was ingediend buiten de beroepstermijn, die liep tot en met 7 maart 2013. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van verschoonbaarheid voor de overschrijding van de beroepstermijn.


3. In hoger beroep heeft appellant een toelichting gegeven bij de gang van zaken rond de indiening van zijn beroep en verwijst hij naar zijn contacten met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Tevens verzoekt hij om coulance.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.


4.1.2.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.


4.1.3.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.


4.1.4.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.1.5.

Op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt, indien het beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan.


4.1.6.

Ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend.


4.2.

Het bestreden besluit is verzonden op 24 januari 2013. De termijn waarbinnen appellant tijdig beroep kon instellen liep daardoor tot en met 7 maart 2013. Het beroepschrift is gedateerd 11 maart 2013, verzonden aan het Uww en door het Uwv ontvangen op

12 maart 2013. Het Uwv heeft dat beroep, met inachtneming van artikel 6:15 van de Awb, met daarop de aantekening van de ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden naar de rechtbank.


4.3.

Het beroepschrift is, mede gelet op artikel 6:15 derde lid, van de Awb te laat ingediend. Het bestreden besluit bevat aan de voet een beroepsclausule waarin duidelijk wordt uitgelegd op welke wijze appellant in beroep kan komen en welke termijn daarvoor geldt. Appellant heeft ter zitting erkend dat hij daar ‘overheen heeft gelezen’. Dat appellant contact heeft gezocht met het EHRM doet niet af aan de verplichting om tijdig beroep in te stellen. Van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding is niet gebleken. Anders dan appellant veronderstelt, kent de Awb niet de mogelijkheid om uit coulance-overwegingen een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.


4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H.G. Rottier en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) B. Rikhof




nk