Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14-4812 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3100

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Appellant heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde medewerking te verlenen. Het komt voor rekening van appellant dat zijn verhuurder wegens een geschil de brieven waar het hier om gaat niet aan hem heeft overhandigd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14-4812 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4812 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juli 2014, 14/634 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Namens appellant is

mr. F.M.A. van der Loo, kantoorgenoot van mr. Offermans, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Loo.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 13 februari 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Appellant stond sinds 25 juli 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: Basisregistratie Personen), ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] .


1.3.

Het college heeft appellant bij brief van 24 mei 2013 uitgenodigd voor een gesprek op

31 mei 2013 over diens mogelijkheden op de arbeidsmarkt, waarbij hij ook stukken diende mee te nemen. Appellant is op dit gesprek niet verschenen. Het college heeft daarom bij besluit van 31 mei 2013 (opschortingsbesluit) de bijstand opgeschort met ingang van 31 mei 2013 en appellant nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 13 juni 2013. Op dit gesprek is appellant wederom niet verschenen. Dit was voor het college aanleiding om bij besluit van

3 juli 2013 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 31 mei 2013.


1.4.

Hangende het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2013 heeft appellant de inschrijving in de GBA laten wijzigen in het adres [adres 2] , aangezien dat sinds 25 juli 2011 zijn feitelijke woonadres was en de inschrijving op het adres [adres 1] berustte op een vergissing.


1.5.

Het college heeft appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met ingang van

12 juli 2013 weer bijstand toegekend, nu op het adres [adres 2] te [woonplaats] .


1.6.

Bij besluit van 27 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat het feit dat de uitnodigingen waren verzonden naar een onjuist gebleken

GBA-adres niet meebrengt dat het niet verschijnen op de uitnodigingen verschoonbaar is. Appellant heeft verklaard dat zijn post werd bezorgd op het GBA-adres en dat zijn verhuurder deze vervolgens naar het adres [adres 2] bracht, waar meerdere mensen woonden, en daar in een postrekje legde. Appellant wist derhalve of had moeten weten dat zijn post niet op zijn feitelijke woonadres werd bezorgd. De woning met het adres [adres 2] heeft eveneens een brievenbus en een voordeur, zodat appellant zijn post ook daar had kunnen laten bezorgen. Het komt voor rekening van appellant dat zijn verhuurder wegens een geschil de brieven waar het hier om gaat niet aan hem heeft overhandigd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de brief van 24 mei 2013 daadwerkelijk is verzonden. Deze grond slaagt niet. Wat er zij van de verzending van die brief is in het onderhavige geding niet aan de orde. Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand niet op enig moment een rechtsmiddel aangewend, zodat het besluit daartoe in rechte vaststaat. In dit geding staat uitsluitend ter beoordeling of de intrekking van de bijstand ingaande 31 mei 2013 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde medewerking te verlenen.


4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn verzuim hem niet is te verwijten. Het college had gelet op het essentiële karakter van de bijstand nader onderzoek moeten doen naar aanleiding van het feit dat de aangetekend verzonden brief van 3 juni 2013, het opschortingsbesluit, als onbestelbaar retour was gekomen. Het college had moeten weten dat op de adressen

[adres 1] en [adres 2] kamers verhuurd werden en dat de bewoners geen eigen brievenbus hebben.


4.4.

Deze grond slaagt evenmin. Appellant is zelf verantwoordelijk voor de juiste registratie van zijn adres. Hem had voorts redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij in de GBA was ingeschreven op het adres [adres 1] . Zijn post was steeds aan dat adres gericht en de verhuurder placht de post aan hem door te geven, terwijl het adres [adres 2] was voorzien van een eigen ingang en een eigen brievenbus. Het college heeft aan zijn bekendmakingsverplichting voldaan door het opschortingsbesluit aangetekend te verzenden naar het bij hem bekende adres [adres 1] . Nu niet alleen appellant dit adres aan het college had opgegeven en hij op dit adres was ingeschreven, maar bovendien de post hem voorheen langs deze weg probleemloos had bereikt, valt niet in te zien op grond waarvan het college een nader onderzoek naar het juiste adres had moeten instellen. Dit klemt te meer, nu, zoals appellant zelf naar voren heeft gebracht, de post hem niet meer bereikte door een conflict dat met de verhuurder was ontstaan, terwijl hij het college niet heeft ingelicht over deze wijziging in zijn situatie op het punt van de interne postbezorging. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, komt de behandeling van de post na bezorging op het door hem opgegeven adres voor zijn risico.


4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.





(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD