Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14-3896 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3105

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Appellante heeft een verklaring ondertekend met de strekking dat de bijstand kan worden beëindigd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij onder de door haar gestelde omstandigheden medisch gezien niet in staat was tijdens dat gesprek haar wil te bepalen of dat zij haar verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd en evenmin dat zij niet binnen enkele dagen daarna in staat was haar verklaring bij het college in te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14-3896 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3896 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juni 2014, 13/5623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Namens appellante is

mr. Van de Laar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 1 januari 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Op 11 maart 2013 heeft appellante na een gesprek met twee werkcasemanagers van de gemeente Eindhoven een “verklaring intrekken WWB uitkering” ondertekend met de strekking dat de bijstand per 1 april 2013 kan worden beëindigd. Bij brief van 2 april 2013 heeft appellante het college meegedeeld dat zij die verklaring intrekt.


1.3.

Bij besluit van 3 april 2013, gehandhaafd bij besluit van 8 november 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2013 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante schriftelijk heeft verklaard dat de bijstand per 1 april 2013 kan worden ingetrokken en dat appellante aan die verklaring wordt gehouden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het college zijn besluit mocht baseren op de door appellante ingevulde en ondertekende verklaring van

11 maart 2013. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de verklaring onder ongeoorloofde druk of onder invloed van manipulatief handelen van een ander heeft afgelegd. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij om psychische redenen buiten staat was de consequenties van haar handelen te overzien en niet op de juiste wijze haar wil kon bepalen. Het gebruik van Oxazepam is daartoe onvoldoende. Uit het gesprek van het verslag blijkt ook duidelijk dat appellante op de consequenties is gewezen. Zij heeft op haar verklaring de datum ingevuld en deze ondertekend. Tussen het tekenen van de verklaring en de brief van 2 april 2013 tot intrekking is bijna drie weken verlopen. Er is geen grond appellante niet aan haar verklaring te houden.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, betoogd dat zij niet kan worden gehouden aan de door haar op 11 maart 2013 ondertekende verklaring.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat appellante op 11 maart 2013 een verklaring heeft ondertekend met de strekking dat de bijstand per 1 april 2013 kan worden beëindigd.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Zoals eerder geoordeeld, is dat in een geval als dit niet anders (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2849).

4.3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat en waarom appellante aan haar verklaring van 11 maart 2013 kan worden gehouden. De Raad kan zich vinden in dat oordeel en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Ook in hoger beroep heeft appellante, tegenover het verslag van het gesprek op 11 maart 2013, niet aannemelijk gemaakt dat zij onder de door haar gestelde omstandigheden medisch gezien niet in staat was tijdens dat gesprek haar wil te bepalen of dat zij haar verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd en evenmin dat zij, zoals ter zitting gesteld, niet binnen enkele dagen daarna in staat was haar verklaring bij het college in te trekken. Het betoog dat appellante aangewezen was op bijstand en dat het daarom onzorgvuldig is dat haar niet een termijn van bezinning is gegund, kan niet slagen, reeds omdat appellante haar verklaring op 11 maart 2013 heeft afgelegd en het college bij besluit van 3 april 2013 de bijstand van appellante heeft ingetrokken.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD