Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14-2030 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3110

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstand. Appellante heeft onvoldoende informatie verstrekt over haar woon-en leefsituatie, en zij heeft door haar gedrag tijdens een gesprek een aansluitend huisbezoek onmogelijk gemaakt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14-2030 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2030 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 februari 2014, 13/8792 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellante is zonder bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 24 mei 2013 bij het UWV werkbedrijf een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Zij stond vanaf 3 mei 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: Basisregistratie Personen, op het adres [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Bij haar aanvraag heeft appellante aangegeven alleen te wonen op het uitkeringsadres. Uit de GBA bleek echter dat op het uitkeringsadres nog een andere persoon was ingeschreven.


1.2.

Het college heeft appellante bij brief van 24 mei 2013 gevraagd uiterlijk op 7 juni 2013 enkele met name genoemde gegevens over te leggen, waaronder afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van de laatste maand met daarop het actuele saldo.


1.3.

In verband met haar aanvraag is appellante vervolgens door twee consulenten van het Werkplein Den Haag Sorghvliet uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op 4 juni 2013.


1.4.

Blijkens een rapportage bijstand van 5 juni 2013 en een rapport van 4 juni 2013 van [naam beveiliger] , beveiliger [naam bedrijf] , hebben appellante en degene die haar bij dat gesprek vergezelde, [naam A] , zich tijdens en na het gesprek verbaal en non verbaal agressief jegens de consulenten en de beveiliging gedragen. Als gevolg daarvan kon het gesprek niet op een normale manier worden afgerond, waardoor evenmin de mogelijkheid bestond om aansluitend aan het gesprek een huisbezoek af te leggen.


1.5.

Bij besluit van 11 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 24 mei 2013 tot en met 11 juni 2013.


4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.


4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld, dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante onvoldoende informatie heeft verstrekt over haar woon-en leefsituatie, en dat zij door haar gedrag tijdens het gesprek op 4 juni 2013 een aansluitend huisbezoek onmogelijk heeft gemaakt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voor de stelling van appellante dat zij een dag voor het gesprek op 4 juni 2013 de gevraagde gegevens aan de medewerker die haar had uitgenodigd had toegezonden, wat het college heeft betwist, zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden. De gestelde psychische problemen van appellante, waarmee volgens appellante het “uit de hand lopen” van het gesprek op 4 juni 2013 verband hield, heeft zij niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare medische stukken. Indien appellante wenste dat het college alsnog een huisbezoek op het uitkeringsadres zou afleggen, had het op haar weg gelegen om daarover met het college contact op te nemen. Het college was, anders dan appellante heeft gesteld, niet gehouden op eigen initiatief hiertoe over te gaan.


4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD