Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14-4071 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3119

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Appellante heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften en overtuigende en deugdelijke informatie over de herkomst van een aantal contante stortingen op de bankrekeningen, te verstrekken. Verwijtbaarheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14-4071 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4071 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2014, 13/10020 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P. Valten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 3 december 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Naar aanleiding van een onderzoek naar verhaal van bijstand op de onderhoudsplichtige voor de dochter van appellante heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar de vermogens- en inkomenssituatie van appellante. In dat kader heeft het college dossier- en administratief onderzoek verricht en appellante verzocht om bankafschriften over te leggen over diverse periodes van alle bankrekeningen die op haar naam en op die van haar minderjarige dochter staan. Het college heeft appellante bij brief van 19 september 2012 geïnformeerd dat onduidelijkheid bestaat over haar vermogens- en inkomenspositie. Daarbij heeft het college appellante verzocht om binnen veertien dagen nadere gegevens te overleggen, waaronder bankafschriften en overtuigende en deugdelijke informatie over de herkomst van een aantal contante stortingen op de bankrekeningen.


1.3.

Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht van appellante op bijstand met ingang van 8 oktober 2012 opgeschort. Daarbij heeft het college appellante tot en met 22 oktober 2012 in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens alsnog in te leveren. Het college heeft appellante meegedeeld dat de bijstand kan worden ingetrokken indien zij de gevraagde gegevens niet tijdig inlevert.


1.4.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 8 oktober 2012 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet alle bij besluit van 8 oktober 2012 gevraagde gegevens heeft verstrekt.


1.5.

Bij besluit van 30 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft tegen het opschortingsbesluit van 8 oktober 2012 geen rechtsmiddel heeft aangewend. Dit betekent dat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 8 oktober 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan appellante verleende bijstand, staat ter beoordeling of appellante verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellante hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellante niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door het college bij besluit van 8 oktober 2012 gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand. Voorts staat vast dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. De stelling van appellante dat haar niet kan worden verweten de gevraagde gegevens niet te hebben verstrekt omdat zij onbekend is met de wet- en regelgeving en het belang van zaken met betrekking tot de beoordeling van het recht op bijstand niet heeft onderkend, slaagt niet. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover daarover bij appellante onduidelijkheid bestond, had het op haar weg gelegen om hierover nadere informatie in te winnen bij het college.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het college bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 8 oktober 2012 in te trekken. In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.5.

Uit 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) E. Heemsbergen




HD