Centrale Raad van Beroep, 16-09-2015 / 14-4338 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3141

Inhoudsindicatie
Loongerelateerde WGA-uitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Appellante is niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Niet voldaan aan de criteria. Zij is niet opgenomen in een ziekenhuis of AWBZ-instelling en er is geen sprake van bedlegerigheid, zodanige afhankelijkheid in het dagelijks leven of een zodanig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren dat zij niet zelfredzaam is.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-09-22
Zaaknummer
14-4338 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4338 WIA

Datum uitspraak: 16 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 juni 2014, 13/978 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. Burgers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. Burgers nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Burgers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als apothekersassistente voor 36 uur per week. Per 26 augustus 2010 is zij uitgevallen voor dit werk met psychische klachten. Bij besluit van

12 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij met ingang van 13 december 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.2.

Bij besluit van 5 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 november 2012 gegrond verklaard en vastgesteld dat voor appellante met ingang van 13 december 2012 recht is ontstaan op een WIA-uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te oordelen dat de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Zo is onder meer dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en eigen onderzoek verricht. Daarnaast is de informatie van de huisarts en de psycholoog bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft daarnaast geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naast extra beperkingen op onder meer dynamische handelingen en statische houdingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op het psychische ziektebeeld van appellante en haar sterk gestoorde nachtrust, een urenbeperking aangenomen. De rechtbank volgt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de in beroep overgelegde informatie van de huisarts geen aanleiding geeft (nog) meer beperkingen aan te nemen. In de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is immers al voldoende rekening gehouden met de daarin beschreven problematiek van appellante. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies geschikt zijn voor appellante en dat haar belastbaarheid niet wordt overschreden.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zij dient in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid is. Er is volgens haar sprake van een medisch stabiele of verslechterende situatie waarbij de kans op herstel uiterst gering moet worden geacht. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante verklaringen van haar GZ-psycholoog i.o./psychotherapeut van 20 en 23 juli 2015 overgelegd. Ter zitting heeft gemachtigde van appellante zich voorts op het standpunt gesteld dat appellante niet zelfredzaam is en zodoende geen benutbare mogelijkheden heeft. In dit kader wijst hij op de in hoger beroep overgelegde informatie waaruit volgt dat appellante huishoudelijke hulp krijgt, hulp bij thuisadministratie en een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang op basis van een Sociaal Medische Indicatie.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel ten grondslag liggen worden onderschreven.


4.2.

In hoger beroep is geen (nieuwe) medische informatie overgelegd die aanleiding geeft voor een ander oordeel. Het standpunt van appellante dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is wordt niet gevolgd. Uit de in hoger beroep overgelegde medische informatie blijkt immers niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep per de datum in geding van een onjuiste medische belastbaarheid is uitgegaan. Er zijn voorts geen aanwijzingen dat herstel was uitgesloten of dat de toestand van appellante ook in de toekomst niet noemenswaardig kon verbeteren.

4.3.

Ook de grond dat appellante geen benutbare mogelijkheden meer heeft slaagt niet. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat appellante niet voldoet aan de criteria die hiervoor gelden. Zij is niet opgenomen in een ziekenhuis of AWBZ-instelling en er is geen sprake van bedlegerigheid, zodanige afhankelijkheid in het dagelijks leven of een zodanig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren dat zij niet zelfredzaam is. De in hoger beroep overgelegde informatie (zoals vermeld onder 3.1) biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel.

4.4.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt, de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.


4.5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J. Smeets als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) B. Fotchind



UM