Centrale Raad van Beroep, 04-09-2015 / 14/3152 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3161

Inhoudsindicatie
Noodzaak urenbeperking staat medisch vast. Revalidatiearts Van Aanholt heeft in zijn rapport aan de rechtbank gesuggereerd een neuroloog te consulteren onder meer tav de belastbaarheid en zijn eigen inschatting daarvan. De vervolgens door de rechtbank benoemde neuroloog Lebbink heeft zich expliciet uitgelaten over de omvang van te werken uren gelet op de beperkingen bij appellant. De Raad kent in deze zaak beslissende betekenis toe aan de conclusie van de deskundige neuroloog Lebbink. Vernietiging AU, beroep gg en opdracht nieuw besluit. Pkv en gr. recht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-04
Publicatiedatum
2015-09-18
Zaaknummer
14/3152 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3152 WIA

Datum uitspraak: 4 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 mei 2014, 12/1677 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Rijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rijnsburger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 2 november 2009 uitgevallen vanwege gewrichts- en vermoeidheidsklachten voor zijn werk als veldwerker bij het [bedrijf] voor 36 uur per week. Vanaf mei 2010 heeft hij gedurende twee dagen per week zijn werkzaamheden hervat, maar is eind van dat jaar weer volledig uitgevallen. Vervolgens is hij vanaf februari 2011 weer gaan werken, maar heeft drie maal per week gedurende vier uur per dag uitsluitend ondersteunende werkzaamheden voor de overige veldwerkers verricht. Daarbij heeft hij onder meer gedurende de periode van 2 mei 2011 tot 20 juni 2011 bovendien drie maal twee uur per dag op therapeutische basis gewerkt, maar heeft deze laatste werkzaamheden niet kunnen volhouden wegens extreme vermoeidheid. Op 21 juli 2011 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.


1.2.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant op 22 augustus 2011 onderzocht en zijn bevindingen naar aanleiding van lichamelijk en psychisch onderzoek neergelegd in het rapport van 23 augustus 2011. Uit specialistisch onderzoek is een duidelijk ziektebeeld gebleken dat het klachtenpatroon van appellant kan verklaren. In 2009 is sarcoïdose vastgesteld die inmiddels in remissie is. Overheersend zijn de klachten van vermoeidheid, mogelijk als gevolg van de doorgemaakte sarcoïdose en de dunne vezel neuropathie waar appellant aan lijdt. Zowel op grond van de aard en ernst van de klachten, het dagverhaal als de bevindingen heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien om een urenbeperking aan te nemen en hij heeft in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 augustus 2011 enkele lichte beperkingen opgenomen ten aanzien van onder meer het werken in vrieskou en zware fysieke belasting.


1.3.

Na vaststelling van de belastbaarheid van appellant bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is bij arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 35%.


1.4.

Bij besluit van 2 september 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 31 oktober 2011 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA ontstaat, omdat appellant niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.


1.5.

Na het bezwaar van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en alle ingezonden informatie, afkomstig van de behandelaars van appellant, bij de beoordeling betrokken. Hij heeft opgemerkt dat de verzekeringsarts terecht heeft vastgesteld dat appellant niet beperkt is op het vlak van persoonlijk en/of sociaal functioneren en voorts voldoende beperkt is geacht op het vlak van dynamische handelingen, statische houdingen en voor koude, irriterende gassen en dampen. Wel acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op grond van reële klachten van vermoeidheid en versnelde vermoeibaarheid op energetische gronden beperkt voor hoogfrequent repetitieve handelingen zoals frequent reiken. Hij kan zich voorts niet verenigen met de conclusie van de verzekeringsarts dat geen sprake meer is van een aandoening waardoor ernstige vermoeidheid kan worden verwacht. Op grond van de voorgeschiedenis, de anamnese en informatie van de behandelaars is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep redelijk om de belastbaarheid op vijf keer per week vier uur per dag te stellen. De beperkingen zijn vastgelegd in de FML van

29 maart 2012.


1.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de in bezwaar gewijzigde FML nieuwe functies geduid en heeft vervolgens het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 72,73%.


1.7.

In overeenstemming met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 15 juni 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 september 2011 gegrond verklaard en hem meegedeeld dat hij met ingang van 31 oktober 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.


1.8.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant onder meer aangevoerd dat een urenbeperking tot twaalf uur per week aangenomen moet worden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een rapport van de medisch adviseur K. de Wit ingezonden.


2.1.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil zich toespitst op de vraag of het Uwv terecht en op goede gronden een urenbeperking van 20 uur per week heeft aangenomen. In verband daarmee heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting op 19 november 2012 geschorst en de revalidatiearts P.C.T. van Aanholt als deskundige ingeschakeld. Van Aanholt heeft in het rapport van 25 april 2013 de conclusies van de behandelaars van appellant weergegeven en op grond van die informatie en na eigen lichamelijk onderzoek vastgesteld dat bij appellant sprake is van sarcoïdose, die met de huidige behandelingen goed onder controle is gebracht. Voorts heeft appellant chronische pijnklachten die wellicht passen bij dunne vezel neuropathie, verminderde concentratie en moeheidsklachten. Wat betreft de dunne vezel neuropathie acht hij het verstandig een neuroloog als deskundige te consulteren met de vraag of de belastbaarheid daarmee meer negatief wordt beïnvloed dan hij heeft ingeschat. Van Aanholt acht appellant in staat vijf keer vier uur per week te werken.


2.1.2.

Vervolgens heeft de rechtbank de neuroloog J. Lebbink als deskundige benoemd. Lebbink heeft geconcludeerd dat differentiaal diagnostisch de klachten uiteen vallen in algemene symptomen, samenhangend met de sarcoïdose, mogelijk medicamenteuze bijwerkingen en daarnaast meer specifieke symptomen in het kader van de dunne vezel neuropathie. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat indien appellant rond de datum in geding drie keer per week vier uur per dag aan het werk was, deze urenbeperking gelet op de vastgestelde beperkingen en symptomatologie destijds en gelet op het overleg met de werkgever en betrokken verzekeringsarts(en) als een (meest betrouwbaar) gegeven dient te worden beschouwd.


2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de conclusie van de deskundige Van Aanholt te volgen. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat deze deskundige op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd hoe hij tot de conclusie is gekomen dat appellant op 31 oktober 2011 in staat was vijf maal vier uur per week te werken. Naar het oordeel van de rechtbank is de neuroloog Lebbink niet erg stellig in zijn conclusie dat op de datum in geding een urenbeperking van drie maal vier uur per week dient te worden aangenomen. Appellant is op de datum in geding daadwerkelijk drie maal vier uur per week werkzaam geweest, maar daarmee is niet afdoende gemotiveerd dat op die datum een urenbeperking in die omvang moet worden aangenomen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is gemotiveerd op grond waarvan de geduide functies voor appellant als passend kunnen worden aangemerkt.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte de deskundige Van Aanholt heeft gevolgd in zijn conclusie dat hij in staat is geacht vijf maal vier uur per week te werken. Hij is van mening dat de neuroloog Lebbink deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij op de datum in geding gedurende maximaal drie maal vier uur per week kon werken. Hij heeft ter nadere onderbouwing van zijn betoog opnieuw verwezen naar de in beroep ingezonden stukken en voorts het rapport van Tjongerschans van 21 januari 2015 ingezonden waarin verslag is gedaan van een slaaponderzoek.


3.2.

In verweer heeft het Uwv het rapport van de verzekeringsarts van 17 juli 2015 ingezonden waarin is geconcludeerd dat er in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens zijn aangedragen die van belang zijn voor de datum in geding.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Vastgesteld kan worden dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de noodzaak van een beperking van de werktijden van appellant en dat uitsluitend de omvang van de urenbeperking ter discussie staat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een beperking van werktijden (vijf keer vier uur per week) in de FML opgenomen en daarmee onderkend dat voor een urenbeperking medische argumenten aanwezig zijn.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. In tegenstelling tot de rechtbank kent de Raad in deze zaak beslissende betekenis toe aan de conclusie van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige neuroloog Lebbink. Van Aanholt heeft in zijn rapport vermeld dat hij niet goed heeft kunnen beoordelen of bij appellant werkelijk sprake is van dunne vezel neuropathie en de rechtbank geantwoord dat wellicht een onafhankelijke deskundige hierover zijn mening zou kunnen geven. De rechtbank heeft vervolgens de neuroloog Lebbink ingeschakeld met het verzoek de belastbaarheid van appellant in te schatten, daarbij rekening houdend met zijn beperkingen. Aangenomen kan worden dat Lebbink als neuroloog voldoende bekend is met het specifieke ziektebeeld van appellant. Lebbink heeft geconcludeerd dat appellant bekend is met pulmonare sarcoïdose en dat de diagnose dunne vezel neuropathie door collega neurologen is vastgesteld. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat als appellant rond de datum in geding drie keer vier uur per dag aan het werk was, deze omvang van te werken uren gelet op de beperkingen en symptomatologie als een meest betrouwbaar gegeven dient te worden beschouwd. Deze specialist heeft zijn oordeel gebaseerd op eigen onderzoek en waardering van met name de rapporten van collega neurologen verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Gelet op het hiervoor overwogene kent de Raad beslissende betekenis toe aan de conclusie van deze door de rechtbank benoemde deskundige. Vastgesteld wordt dat appellant is aangewezen op een urenbeperking van drie keer vier uur per week.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, ook het bestreden besluit vernietigen. Het Uwv dient opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van

2 september 2011 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, nu in wezen een geheel nieuwe arbeidskundige beoordeling van de aanvraag van appellant dient plaats te vinden. De Raad ziet met het oog op een voortvarende ontwikkeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.


5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 1.225,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep.











BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 juni 2012;
  • - draagt het Uwv op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • - bepaalt dat het beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.185,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 164,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) I. Mehagnoul




AP