Centrale Raad van Beroep, 17-09-2015 / 14/1331 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3163

Inhoudsindicatie
1) Schorsing. Instellingsbelang. Het bestuur had van appellant vanwege zijn functie mogen verwachten een bemiddelende rol te vervullen met betrekking tot de toenemende onvrede bij de medewerkers over het bestuur. 2) Verlenging schorsing. 3) Strafontslag. Plichtsverzuim. Appellant heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling of tenminste de schijn van belangenverstrengeling gewekt. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan het door appellant gepleegde plichtsverzuim.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-17
Publicatiedatum
2015-09-22
Zaaknummer
14/1331 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1331 AW, 14/1332 AW, 14/1333 AW

Datum uitspraak: 17 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

7 februari 2014, 12/5881, 12/5882, 13/2505 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Het bestuur van de Stichting Openbaar Primair Onderwijs Haarlemmermeer (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Oass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. E.L. Zondervan, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bosscher, advocaat. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Zondervan, drs. J.P.A. de Goede en J.J.N. Walter.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1.

Appellant is per 1 april 2009 als algemeen directeur aangesteld bij de Stichting Openbaar Primair Onderwijs Haarlemmermeer ( [naam A] ).


1.2.

Het bestuur heeft sinds november 2010 drie anonieme brieven ontvangen, waarin zorgen worden geuit over de commerciële activiteiten van appellant en B. In de brieven wordt erop aangedrongen hiernaar een onderzoek in te stellen, alsmede naar de rol van de accountant van [naam A] Het bestuur heeft vervolgens het bureau IRS Forensic Investigations & Integrity Services BV (IRS) opdracht gegeven de in de brieven vervatte aantijgingen te onderzoeken. In juni 2011 is IRS gestart met het onderzoek.


1.3.

Hangende het onderzoek door IRS heeft het bestuur appellant bij besluit van 9 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit 1), met onmiddellijke ingang voor de duur van drie maanden en met behoud van bezoldiging geschorst en is het appellant verboden aanwezig te zijn in enig lokaal dat valt onder [naam A] Daaraan is het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft het initiatief genomen tot verschillende kort gedingen en dreigde met een staking op de scholen als het bestuur niet per direct zou aftreden. Hierdoor heeft het onderzoek grote vertraging opgelopen, zijn de kosten voor het onderzoek gestegen en zijn advocaatkosten gemaakt. Door deze opstelling is volgens het bestuur de vertrouwensrelatie tussen het bestuur en de rest van de organisatie ernstig geschaad.


1.4.

Bij besluit van 10 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit 2), heeft het bestuur de schorsing van appellant voor de duur van drie maanden verlengd per 11 april 2012.


1.5.

IRS heeft onderzoek gedaan naar:

1. de zakelijke relaties van appellant in relatie tot zijn werkzaamheden bij [naam A] om vast te stellen of er sprake is van belangenverstrengeling bij

a. de inhuur van B;

b. de aanstelling van A als externe accountant;

c. de vercommercialisering van administratieve diensten via [naam B.V.] .;

2. de gang van zaken rondom de besluitvorming met betrekking tot de insourcing van de financiële administratie en de personeels- en salarisadministratie;

3. de rol van appellant in de juridische procedures tegen het bestuur, in het bijzonder zijn opstelling naar de medewerkers van het bestuurskantoor en de ICT-beheerder van [naam A] , firma D, met de focus op hetgeen is afgesproken over de financiële gevolgen van het starten van die procedures;

4. de gang van zaken bij de inschrijving van appellant als bestuurder van [naam A] bij de Kamer van Koophandel;

5. de toezegging van appellant dat [naam A] de advocaatkosten voor rechtsbijstand aan medewerkers van het bestuurskantoor en D zou dragen.

De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 oktober 2012.


1.6.

De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om, nadat appellant schriftelijk zijn zienswijze over het voornemen daartoe had gegeven, appellant bij besluit van 14 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2013 (bestreden

besluit 3), primair wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen op grond van artikel 4.7, aanhef en onder j, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (CAO PO). Subsidiair heeft het bestuur appellant ontslag verleend vanwege ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 4.7, aanhef en onder g, van de CAO PO. Meer subsidiair heeft het bestuur appellant ontslag vanwege redenen van gewichtige aard verleend op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO.


1.6.1.

Aan het door het college geconstateerde plichtsverzuim, voor zover van belang, is ten grondslag gelegd dat appellant

1) belangrijke besluiten heeft genomen, waaronder het aangaan en opzeggen van overeenkomsten, zonder dit met het bestuur te overleggen en het bestuur daarover pas achteraf te informeren;

2) zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling, althans de schijn daarvan heeft gewekt, doordat hij het bestuur niet heeft geïnformeerd over zijn eerdere zakelijke contacten met B en de zakelijke belangen die hij heeft met B in [naam B.V. 2] ;

3) het bestuur niet heeft geïnformeerd over zijn eerdere zakelijke contacten met A en dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door A op de hoogte te brengen van informatie uit de offerte van Deloitte;

4) bewust onjuiste financiële onderbouwingen aan het bestuur heeft gepresenteerd over

[naam B.V.] ., zijn zakelijke belangen in die B.V. heeft verzwegen en de belangen van [naam A] aan zijn eigen belang ondergeschikt heeft gemaakt. Blijkens de

concept-overeenkomsten tussen het bestuur en [naam B.V.] . blijkt geen duidelijk voordeel voor [naam A] , terwijl de stichting wel het ondernemingsrisico draagt;

5) niet wilde meewerken aan het onderzoek van IRS, de advocaatkosten voor de procedures tegen het bestuur voor rekening van [naam A] heeft laten komen, zonder daartoe bevoegd te zijn en het conflict heeft laten escaleren, door de medewerkers van het bestuurskantoor en de directeuren bij het conflict te betrekken en door aan te sturen op het vertrek van het bestuur en daarbij gedreigd heeft met het sluiten van de scholen van [naam A]


1.6.2.

Het bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim, waardoor ook de werkrelatie tussen appellant en het bestuur onherstelbaar is beschadigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.


3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.


Schorsing (bestreden besluit 1)


4.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de ordemaatregel niet noodzakelijk en niet proportioneel was op het moment dat het besluit tot schorsing werd genomen.


4.2.

Vooropgesteld moet worden dat de maatregel van schorsing een ordemaatregel is met een neutraal karakter. Ingevolge artikel 4.13, aanhef en onder b, van de CAO PO kan tot schorsing worden overgegaan als het belang van de instelling dit vereist. Niet gezegd kan worden dat het bestuur in dit geval ten onrechte een zodanig instellingsbelang aanwezig heeft geacht. Ten tijde van belang was sprake van toenemende onvrede bij de medewerkers van het bestuurskantoor over het bestuur. Het bestuur had van appellant vanwege zijn functie mogen verwachten een bemiddelende rol te vervullen. In plaats daarvan heeft appellant de medewerkers van het bestuurskantoor alsook de directeuren van de onder [naam A] vallende scholen betrokken bij zijn geschil met het bestuur over het onderzoek door IRS. Voorts had het bestuur van appellant mogen verwachten zich coöperatief op te stellen in een integriteitsonderzoek. Onder deze omstandigheden is het voorstelbaar dat het dagelijks bestuur de schorsing van appellant noodzakelijk heeft geacht en heeft het bestuur in redelijkheid deze ordemaatregel kunnen treffen. De Raad voegt daar nog aan toe dat het bestuur pas is overgegaan tot schorsing, nadat appellant het vertrouwen in het bestuur heeft opgezegd en ook bij de verantwoordelijke wethouder op het aftreden van het bestuur heeft aangedrongen. Door de opstelling van appellant is er niet alleen grote onrust ontstaan binnen de organisatie, maar heeft ook de gemeente als externe toezichthouder aangegeven dat er een onhoudbare situatie is ontstaan. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat vanwege het tijdsverloop tussen verzenddatum van de email met daarin de aangekondigde staking op 25 november 2011 en het voornemen tot schorsing op 29 november 2011 de ordemaatregel niet meer noodzakelijk was. Het in de email verwoorde ultimatum liep immers af op

30 november 2011.


Verlenging schorsing (bestreden besluit 2)


4.3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verlenging van de schorsing niet rechtmatig was, omdat niet tijdig is verlengd.


4.4.

Artikel 4.13, aanhef en onder b, van de CAO PO bepaalt dat de werknemer kan worden geschorst, in gevallen waarin het belang van de instelling dit vereist, voor ten hoogste drie maanden met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen éénmaal kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden.


4.5.

De Raad stelt vast dat de eerste schorsing is aangevangen op 9 januari 2012 en dat deze eindigde op 8 april 2012. Het bestuur heeft de schorsing bij besluit van 10 april 2012 met ingang van 11 april 2012 verlengd. Dit had echter aansluitend, dus uiterlijk op 9 april 2012, dienen te gebeuren. Dit betekent dat het bestuur de schorsing niet rechtmatig heeft verlengd. De Raad zal, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, hieraan geen gevolgen verbinden, omdat het bestuur op 10 april 2012 bevoegd was appellant op grond van artikel 4.13, aanhef en onder b, van de CAO PO voor de tweede maal te schorsen om dezelfde redenen als in 4.2 is uiteengezet.


Ontslag (bestreden besluit 3)


4.6.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestuur ertoe mocht overgaan om appellant ontslag te verlenen vanwege zeer ernstig plichtsverzuim. De Raad neemt de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen over. Naar aanleiding van de in hoger beroep aangevoerde gronden voegt hij hieraan het volgende toe.


4.7.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1683) is het voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing leidt noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.


4.7.1.

Gelet op de door de rechtbank genoemde voorbeelden heeft appellant zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling of tenminste de schijn van belangenverstrengeling gewekt. Zo heeft appellant het bestuur niet tijdig en volledig geïnformeerd over zijn zakelijke relatie met B en hun zakelijk belang in [naam B.V. 2] Appellant heeft voorts zonder medeweten van het bestuur de overeenkomst met S voor administratieve ondersteuning opgezegd en B een offerte uit laten brengen voor de aanschaf van een ander administratiesysteem en voor de begeleiding door B bij implementatie van dit systeem. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een besluit dat zulke vergaande consequenties heeft voor de bedrijfsvoering voorbehouden is aan het bestuur. Evenmin heeft appellant het bestuur ingelicht over zijn eerdere zakelijke relatie met A en is de rol die appellant heeft gespeeld in het aantrekken van deze accountant terecht als zeer laakbaar aangemerkt. Appellant heeft immers, nadat de offerte van Deloitte bij hem bekend was geworden, A ertoe bewogen voor een lager bedrag te offreren. Ook in de kwestie [naam B.V.] . heeft appellant niet de nodige transparantie betracht over zijn rol en die van B. Appellant kan zich daarbij niet verschuilen achter het feit dat de presentatie aan het bestuur niet door hemzelf maar door een staflid van het bestuurskantoor is gegeven. Het bestuur heeft aannemelijk gemaakt dat appellant de gepresenteerde plannen met B heeft opgesteld. Bovendien had appellant persoonlijk financieel voordeel bij [naam B.V.] ., terwijl het financieel risico voornamelijk rustte bij [naam A] Doordat appellant het bestuur niet heeft geïnformeerd over zijn zakelijke belangen bij dit project heeft het bestuur terecht kunnen concluderen dat op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling is gewekt.


4.7.2.

Ook door zijn houding en gedrag heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Appellant heeft op rekening van het bestuur een advocaat opdracht gegeven om medewerkers van het bestuurskantoor, appellant daaronder begrepen, en D bij te staan in het kader van hun geschillen met het bestuur, die alle zijn terug te voeren op het frustreren van het onderzoek door IRS. Het is evident dat appellant die opdracht niet eigenmachtig had mogen verstrekken. Het opzetten van de medewerkers en de directeuren tegen het bestuur getuigt verder van weinig gevoel voor bestuurlijke verhoudingen. Ook de wijze waarop eiser druk heeft uitgeoefend om het bestuur tot aftreden te dwingen, is door de rechtbank terecht als zeer laakbaar aangemerkt.

4.8.

Appellant heeft met zijn handelwijze het vertrouwen van het bestuur geschonden. In aanmerking genomen de hoge eisen die aan de integriteit van een algemeen directeur mogen worden gesteld en gelet op zijn rol als belangrijke schakel tussen bestuur en bestuurskantoor, is de Raad met de rechtbank en anders dan appellant heeft aangevoerd van oordeel dat in dit geval de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het door appellant gepleegde plichtsverzuim.


4.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het strafontslag in rechte stand houdt. De beroepsgronden tegen het subsidiair en meer subsidiair verleende ontslag kunnen daarom buiten bespreking blijven. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


Schadevergoeding


5. Nu het bestreden besluit 3 in stand blijft, is er geen plaats voor de door appellant verzochte schadevergoeding in de vorm van nabetaling van loon, vermeerderd met de wettelijke rente. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD