Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14/2309 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3174

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft onvoldoende inzage in zijn financiële situatie gegeven bijvoorbeeld wat betreft de bronnen van zijn inkomsten, zoals leningen en vergoedingen van ritten, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of er (aanvullend) recht op bijstand bestaat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-24
Zaaknummer
14/2309 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2016/137 met annotatie van B.W.N. de Waard
Uitspraak

14/2309 WWB, 14/2310 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 maart 2014, 13/6160 en 13/6162 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.J.G. van Raab van Canstein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Raab van Canstein. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 14 augustus 2012 (aanvullende) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) appellant bij brief van 21 mei 2013 opgeroepen om op 22 mei 2013 op kantoor te verschijnen en daarbij een geldig identiteitsbewijs en bankafschriften of transactieoverzichten van de laatste drie maanden van alle bankrekeningen mee te nemen. Tijdens het gesprek op die datum heeft appellant inzage gegeven in de bankafschriften van rekeningnummer [nummer] over de periode van 23 januari 2013 tot en met 22 mei 2013. Hieruit is gebleken dat appellant in deze periode geen geldopnames heeft verricht en nauwelijks pintransacties voor de kosten van levensonderhoud heeft gedaan. Op 22 mei 2013 heeft appellant hierover verklaard dat hij soms eten of geld van kennissen krijgt, dat hij niet uitkomt met zijn uitkering en dus geld krijgt of leent om boodschappen te doen. Ook neemt hij tegen betaling van € 5,- mensen mee in de auto naar zijn werk. Vervolgens heeft de DWI appellant bij brief van 28 mei 2013 uitgenodigd voor een gesprek op 3 juni 2013. Hierbij is appellant verzocht transactieoverzichten van alle bankrekeningen over de periode van 14 augustus 2012 tot en met 22 januari 2013 over te leggen, alsmede een administratie van zijn tegen betaling gemaakte autoritten. Tot slot heeft de DWI appellant gevraagd om met bewijsstukken aan te tonen hoe hij in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Tijdens het gesprek op 3 juni 2013 heeft appellant de gevraagde bankafschriften overgelegd. Hij heeft verklaard de overige door de DWI gevraagde gegevens niet over te kunnen leggen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 juni 2013.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

11 juni 2013 de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2012 in te trekken en bij besluit van 15 augustus 2013 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

1 september 2012 tot en met 31 mei 2013 tot een bedrag van € 6.543,06 van hem terug te vorderen.


1.4.

Bij afzonderlijke besluiten van 11 september 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 11 juni 2013 en 15 augustus 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat sprake is van oncontroleerbare inkomsten en dat appellant, door geen duidelijkheid te geven over zijn financiële situatie vanaf 1 september 2012, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de door hem op 22 mei 2013 afgelegde verklaring onjuist is opgetekend. Hij heeft geen autoritten tegen betaling verricht. Voorts heeft hij gesteld dat hij in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien door middel van leningen en giften. Het college heeft ten onrechte de leningen als inkomsten aangemerkt. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 september 2012 tot en met 11 juni 2013.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Anders dan appellant heeft betoogd, bestaat geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van de door hem op 22 mei 2013 afgelegde verklaring. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. De verklaring is consistent en gedetailleerd en is door appellant per pagina ondertekend. Voorts is van belang dat op de op schrift gestelde verklaring is aangekruist dat appellant de verklaring heeft gelezen en dat de inhoud van de geschreven verklaring overeenkomt met wat hij heeft verklaard.


4.4.

Voorts is uit het onderzoek naar de door appellant overgelegde bankafschriften gebleken dat hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 22 mei 2013 geen contant geld heeft opgenomen en slechts voor een bedrag van € 186,51 heeft gepind bij supermarkten. In de periode van 1 september 2012 tot en met 31 oktober 2012 heeft hij een bedrag van € 450,- contant opgenomen en voor een bedrag van € 57,06 gepind bij supermarkten. Nu uit de bankafschriften niet blijkt hoe appellant de dagelijkse boodschappen heeft betaald, ligt het op zijn weg om hierover helderheid te verschaffen. Appellant is hierin niet geslaagd. De stelling van appellant dat hij in de dagelijkse levensbehoeften heeft voorzien door giften in de vorm van boodschappen en maaltijden heeft hij niet nader onderbouwd. Weliswaar heeft appellant in de bezwaarfase twee verklaringen van deze strekking overgelegd, maar deze zijn zeer summier en niet concreet. Zo wordt in het geheel geen melding gemaakt van de door appellant ontvangen bedragen, noch van het tijdvak waarin de hulp zou zijn verleend.


4.5.

Het standpunt van appellant dat hij in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien door het aangaan van leningen en dat deze leningen niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB, wordt niet gevolgd. Los van het feit dat appellant het bestaan van de leningen niet aannemelijk heeft gemaakt, volgt uit artikel 31, tweede lid, van de WWB dat een geldlening niet is uitgesloten van het middelenbegrip. Voorts volgt uit vaste rechtspraak (uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014:3872) dat periodieke betalingen van derden, ongeacht de vorm waarin deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt, als inkomen van de bijstandsontvanger worden aangemerkt.


4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Appellant heeft onvoldoende inzage in zijn financiële situatie gegeven bijvoorbeeld wat betreft de bronnen van zijn inkomsten, zoals leningen en vergoedingen van ritten, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of er (aanvullend) recht op bijstand bestaat. Gelet hierop was het college bevoegd de bijstand van appellant met ingang van

1 september 2012 in te trekken. Tegen de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.


Terugvordering


4.7.

In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is expliciet vermeld dat appellant zich niet beroept op het bestaan van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9486), staat het een partij weliswaar vrij in hoger beroep nieuwe beroepsgronden aan te voeren, maar dat geldt niet ten aanzien van beroepsgronden die in een eerdere fase van de procedure welbewust niet aan de orde zijn gesteld dan wel zijn prijsgegeven. Gelet hierop behoeft het in onderhavige procedure gedane beroep van appellant op het bestaan van dringende redenen om van terugvordering af te zien geen bespreking.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) J.L. Meijer




HD