Centrale Raad van Beroep, 22-09-2015 / 14/2377 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3177

Inhoudsindicatie
Intrekking AIO-aanvulling. Terugvordering bijstand. Appellanten hebben vermogen boven het voor hen geldende vrij te laten vermogen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-22
Publicatiedatum
2015-09-24
Zaaknummer
14/2377 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2377 WWB

Datum uitspraak: 22 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 maart 2014, 13/2878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. O.H.A. Mo-Ajok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Voor appellanten is

mr. Mo-Ajok verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen sinds 23 juli 2010 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Omdat uit een gegevensvergelijking naar voren kwam dat appellante een bij de Svb onbekende bankrekening (bankrekening) op haar naam had staan, heeft de Svb bij brief van

3 oktober 2012 bankafschriften van deze bankrekening opgevraagd.


1.3.

Bij besluiten van 21 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 april 2013 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van 23 juli 2010 ingetrokken en de over de periode van 23 juli 2010 tot en met 31 december 2010 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten vermogen hebben boven het voor hen geldende vrij te laten vermogen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.2.

Niet in geschil is dat de bankrekening op naam van appellante staat en dat in de gehele hier van belang zijnde periode op de bankrekening een tegoed heeft gestaan, dat uitkomt boven het voor appellanten geldende vrij te laten vermogen. Appellanten voeren aan dat zij redelijkerwijs niet konden beschikken over het tegoed op de bankrekening, omdat dit tegoed van hun dochter was. Zij verwijzen daartoe naar twee achteraf door de dochter opgestelde verklaringen. De dochter heeft verklaard dat zij als oppas van de kinderen van haar zus geld heeft verdiend en dat zij dat geld aan haar ouders heeft gegeven om dit voor haar te beheren ten behoeve van haar toekomstige huwelijk. Op die wijze zou zij niet in de verleiding komen het door haar verdiende geld voor andere doeleinden aan te wenden. Dat het geld door de dochter in bewaring is gegeven, vindt volgens appellanten steun in de omstandigheid dat appellanten tussentijds nooit geld van de bankrekening hebben opgenomen en in de omstandigheid dat het geld inmiddels is aangewend voor de bruiloft van de dochter.


4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verklaringen van de dochter onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat appellanten niet over het tegoed op de bankrekening konden beschikken. Dat is het geval omdat objectieve en verifieerbare gegevens ontbreken, waaruit blijkt dat het tegoed tot het vermogen van de dochter behoorde en zij dit in bewaring van appellanten heeft gegeven. Daarbij komt dat de verklaring van de dochter, inhoudende dat zij het tegoed heeft verdiend met oppassen op de kinderen van haar zus, zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet aannemelijk voorkomt. Op de bankrekening hebben in de te beoordelen periode immers stortingen plaatsgevonden van € 2.000,- tot € 5.500,-. Dat appellanten het tegoed inmiddels hebben opgenomen en naar zij zeggen hebben overgedragen aan de dochter, biedt tot slot geen onderbouwing van hun stelling dat zij redelijkerwijs niet over het tegoed konden beschikken.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat de gronden in hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) J.L. Meijer



HD