Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14/2398 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3185

Inhoudsindicatie
De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende grondslag voor de conclusie van het dagelijks bestuur dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante op het uitkeringsadres. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Omdat gelet op het tijdsverloop redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat het dagelijks bestuur alsnog aannemelijk zal kunnen maken dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 16 november 2012 en 2 april 2013 te herroepen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-24
Zaaknummer
14/2398 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2398 WWB, 14/2399 WWB


Datum uitspraak: 15 september 2015


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 maart 2014, 13/1428 en 13/5868 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)



PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur sinds 1 januari 2015 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit, die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college). In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het college.


Namens appellante heeft mr. R.E. Teusink, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015, gevoegd met de zaak 14/2397 WWB van [naam A] (A). Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Teusink. Als tolk is verschenen L. Smits. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Bons en P. Neeleman. In de zaak 14/2397 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 3 januari 2006 bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande. Zij woont sinds 1 februari 1999 op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). A staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) sinds 12 september 1977 ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] .


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 17 maart 2011 dat appellante een relatie heeft met een man die een paar dagen per week bij haar verblijft, heeft een handhavingsambtenaar in opdracht van het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden en zijn in de periode van 18 juli 2012 tot en met 4 september 2012 waarnemingen verricht in de omgeving van de woning van appellante. Tijdens deze waarnemingen is de auto, geregistreerd op naam van A, in de perioden van

18 juli 2012 tot en met 25 juli 2012 en van 16 augustus 2012 tot en met 3 september 2012 vrijwel dagelijks in de omgeving van het uitkeringsadres aangetroffen. In de tussenliggende periode is de auto van A daar niet gesignaleerd. Tijdens een verhoor op 4 september 2012 heeft appellante in eerste instantie verklaard dat A gemiddeld één nacht per week bij haar slaapt. Na confrontatie met de waarnemingen heeft appellante het volgende verklaard: “Ik kan u verklaren dat [A] minstens vier (4) à vijf (5) dagen per week bij mij verblijft. Hij blijft dan ook slapen. Ik verblijf als ik niet thuis ben ook wel eens op het adres van [A]. [A] verblijft ongeveer vanaf maart 2011 zoveel bij mij. Daarvoor verbleef hij ook wel eens bij mij maar niet zo vaak. Volgens mij verbleef hij toen maar drie nachten bij mij. [A] blijft de laatste tijd zo vaak bij mij omdat ik lichamelijke gebreken heeft. Hij helpt mij met het huishouden. Als [A] bij mij is eten wij samen. Ik maak de maaltijden klaar. De boodschappen doen wij wel eens samen. [...]” Aansluitend aan het verhoor van appellante heeft er een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres. Tijdens dit huisbezoek zijn geen kleding, verzorgingsartikelen, persoonlijke eigendommen of administratie van A in de woning van appellante aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport administratiefrechtelijk onderzoek van 26 september 2012.


1.3.

Het dagelijks bestuur heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 16 november 2012 de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2011 in te trekken en te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van 23 september 2012. Bij besluit van

2 april 2013 heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 1 maart 2011 tot en met

3 september 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.075,92 van appellante teruggevorderd. Het dagelijks bestuur heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met A.


1.4.

Bij besluit van 4 januari 2013 heeft het college appellante opnieuw bijstand verleend met ingang van 17 oktober 2012.


1.5.

Bij besluit van 15 januari 2013 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2012, voor zover gericht tegen de datum van beëindiging van de bijstand, gegrond verklaard, de bijstand met ingang van 16 november 2012 beëindigd (lees: ingetrokken) en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.


1.6.

Bij besluit van 16 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 17 oktober 2012 tot 16 november 2012 en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat de door haar afgelegde verklaring onjuist is. Enerzijds omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is en ten onrechte niet in het bijzijn van een tolk is verhoord. Anderzijds omdat zij op grond van haar culturele achtergrond snel geneigd is sociaal wenselijke antwoorden te geven. Om die reden kan de verklaring niet als bewijs dienen. Voorts betwist appellante dat de onderzoeksbevindingen de conclusie kunnen dragen dat zij met A een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 maart 2011 tot 17 oktober 2012.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

Ter zitting van de Raad heeft het dagelijks bestuur, desgevraagd, bevestigd dat hij zich op het standpunt stelt dat de door appellante afgelegde verklaring, in samenhang met de verrichte waarnemingen, een voldoende feitelijke grondslag biedt voor het door het dagelijks bestuur ingenomen standpunt dat aan beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB wordt voldaan.


4.5.

De beroepsgrond dat appellante niet kan worden gehouden aan de door haar op

4 september 2012 afgelegde verklaring treft geen doel. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, wat is besproken en op schrift is gesteld, niet kon begrijpen wegens een gebrekkige kennis van de Nederlandse taal. In het rapport van verhoor waarin haar verklaring is opgenomen, is vermeld dat appellante, na doorlezing van de verklaring, heeft volhard in de verklaring en deze heeft ondertekend. Uit dit rapport valt niet af te leiden dat appellante de haar gestelde vragen niet begreep en evenmin dat zij op enig moment kenbaar heeft gemaakt het besprokene niet te begrijpen en/of dat een tolk nodig was om het gesprek te kunnen voeren. Wel is in het rapport van verhoor opgenomen dat appellante zich tijdens het laatste deel van het verhoor - dus ook bij de voorlezing en ondertekening - heeft laten bijstaan door een vriendin die de Nederlandse taal goed beheerst. Dat de verklaring van appellante onjuistheden of onwaarheden bevat, die te wijten zouden zijn aan taalproblemen, heeft appellante dan ook niet aannemelijk gemaakt. Voorafgaand aan het gesprek is appellante bovendien geïnformeerd over de aanleiding en het doel van het gesprek. Het college mocht dan ook uitgaan van de juistheid van de verklaring van appellante van 4 september 2012 en deze verklaring mede ten grondslag leggen aan het bestreden besluit.


4.6.

Met appellante wordt echter geoordeeld dat de onder 4.4 genoemde en in 1.2 verwoorde onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie van het dagelijks bestuur dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante op het uitkeringsadres. De door appellante op 4 september 2012 afgelegde verklaring met betrekking tot de aanvang van het verblijf van A in haar woning is niet eenduidig. Appellante heeft verklaard dat A vier tot vijf nachten bij haar heeft verbleven, maar uit deze verklaring kan niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat deze frequentie betrekking heeft op de gehele te beoordelen periode. Appellante heeft immers zowel verklaard dat A ‘vanaf maart 2011 zoveel bij haar verblijft’, maar ook dat A ‘de laatste tijd zo vaak bij haar verblijft’ (cursivering van de Raad). Tijdens het verhoor is nagelaten door controlevragen dan wel anderszins na te gaan of appellante daadwerkelijk heeft bedoeld te verklaren dat A sinds maart 2011 vier tot vijf nachten bij haar heeft verbleven. Hierbij is van belang dat de gedingstukken geen ondersteunend bewijs bevatten voor deze conclusie. De waarnemingen zien slechts op een zeer beperkt deel van de te beoordelen periode, te weten de periode van 18 juli 2012 tot en met 4 september 2012. Voorts zijn tijdens het huisbezoek op 4 september 2012 in het geheel geen kleding, verzorgingsartikelen, persoonlijke eigendommen en administratie van A aangetroffen, wat een contra-indicatie is om aan te nemen dat A sinds maart 2011 zijn hoofdverblijf heeft in de woning appellante.


4.7.

De rechtbank heeft wat in 4.6 is overwogen niet onderkend. Voor de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren en deze besluiten wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Omdat gelet op het tijdsverloop redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat het dagelijks bestuur alsnog aannemelijk zal kunnen maken dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 16 november 2012 en 2 april 2013 te herroepen.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.715,- in beroep (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting, € 490,- per punt) en op € 735,- in hoger beroep

(1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en een 0,5 punt voor het bijwonen van de zitting, waarbij wordt aangetekend dat ter zitting de samenhangende beroepen gevoegd zijn behandeld, € 490,- per punt), in totaal dus € 2.450,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak behalve de beslissing over griffierecht in de zaak

13/1428;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 15 januari 2013 en 16 september 2013;

- herroept de besluiten van 16 november 2012 en 2 april 2013;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in

totaal € 2.450,-.

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellante in beroep in de zaak 13/5868 en in

hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) J.L. Meijer



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




HD