Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 13/6642 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3187

Inhoudsindicatie
Het college was bevoegd de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Appellant heeft niet binnen de gegeven hersteltermijn voldaan aan het verzoek van het college alle gevraagde gegevens, waaronder de bankafschriften en andere financiële gegevens over te leggen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-24
Zaaknummer
13/6642 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/331
Uitspraak

13/6642 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2013, 13/1639 en 13/1119 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.C. Engels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Engels. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.N. Collignon.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college de aan appellant verleende bijstand over de periode van 7 november 1996 tot en met 31 januari 2007 wegens schending van de inlichtingenverplichting ingetrokken en een bedrag van € 142.259,34 van appellant teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Op 3 december 2007 heeft appellant een bedrag van € 68.000,- (contant) aan het college betaald, waarna het op de goederen van appellant rustende conservatoir beslag is opgeheven en de resterende schuld is kwijtgescholden. Appellant ontving vanaf 1 februari 2007 geen bijstand meer.


1.2.

In april 2009 en oktober 2010 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Het college heeft beide aanvragen buiten behandeling gesteld. Na in de periode van 6 juli 2011 tot en met 31 augustus 2012 in detentie te hebben gezeten, heeft appellant op 10 september 2012 opnieuw een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend. Bij brief van 20 september 2012 heeft het college appellant een hersteltermijn gegeven tot en met 15 oktober 2012 om onder meer de volgende gegevens te verstrekken: kopieën van bankafschriften van alle rekeningen vanaf 1 februari 2007 tot de datum van de aanvraag, bewijsstukken waaruit blijkt op welke wijze hij in deze periode in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien, een overzicht van zijn schulden, bewijsstukken van de wijze van doorbetaling van huur in de detentieperiode en een overzicht van alle in (mede-)eigendom zijnde roerende zaken, waaronder voer- en vaartuigen en sieraden. Hierbij heeft het college onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeld dat het niet of niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.


1.3.

In reactie op dit verzoek heeft appellant bij ongedateerde brief, bij het college binnengekomen op 15 oktober 2012, onder meer meegedeeld dat hij en zijn huisgenoot

[naam] (M) hebben geleefd van de Uwv-uitkering van M, dat appellant tijdens zijn detentieperiode de huur heeft kunnen betalen omdat zijn zoon insprong en zijn schoonvader de rest heeft voorgeschoten, dat, wat betreft de goederen die hij in zijn bezit zou hebben, de Belastingdienst alles in beslag heeft genomen en dat appellant de sieraden destijds op de zwarte markt heeft verkocht. Appellant heeft de gevraagde bankafschriften en bewijsstukken niet overgelegd.


1.4.

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.


1.5.

Bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Niet in geschil is dat appellant niet binnen de bij brief van 20 september 2012 gegeven hersteltermijn heeft voldaan aan het verzoek van het college alle gevraagde gegevens, waaronder de bankafschriften en andere financiële gegevens vanaf 1 februari 2007, over te leggen.


4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college in het kader van de beoordeling van de aanvraag om bijstand niet in redelijkheid financiële bewijsstukken van hem kon opvragen vanaf 1 februari 2007. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand van de belanghebbende is het college in beginsel gerechtigd inzage te verlangen in bankafschriften over de laatste drie maanden. Indien op basis van objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, is het college gerechtigd inzage in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode te verlangen. Deze situatie doet zich hier voor. De in 1.1 vermelde feiten rechtvaardigen dat het college van appellant kon verlangen inzage te verlenen in zijn financiële situatie vanaf 1 februari 2007 door onder meer bankafschriften over te leggen en gegevens te verstrekken over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.


4.4.

Gelet op 4.1 tot en met 4.3 was het college bevoegd de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Een aanvrager dient alle gegevens en bescheiden te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Anders dan appellant heeft betoogd - en ter zitting nader heeft toegelicht - ontslaat het enkele feit dat het college eerdere aanvragen om bijstand van appellant niet in behandeling heeft genomen, hem niet van die verplichting. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat het college thans gehouden was op grond van de door hem - onvolledig - verstrekte gegevens de aanvraag in behandeling te nemen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) J.L. Meijer




HD