Centrale Raad van Beroep, 04-09-2015 / 14/3942 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3195

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medische beoordeling. Appellant is er, ook in hoger beroep, niet in geslaagd om aan de hand van toereikende objectief-medische gegevens aannemelijk te maken dat zijn beperkingen zijn onderschat. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-04
Publicatiedatum
2015-09-24
Zaaknummer
14/3942 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3942 WIA

Datum uitspraak: 4 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

12 juni 2014, 13/991 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en in aanvulling daarop een rapport van

verzekeringsarts bezwaar en beroep S. Groeneveld ingezonden.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld en zijn nadere stukken in het geding gebracht. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep Groeneveld. Partijen hebben andermaal over en weer op elkaars

standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015. Appellant is verschenen,

bijgestaan door mr. Appelman. Ook was [naam zoon] , zoon van appellant, aanwezig. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker in een omvang van circa 38 uur per week. Op 10 januari 2011 is hij uitgevallen wegens hartklachten. In oktober 2012 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.


1.2.

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant, gegeven de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van

7 januari 2013 geen recht is ontstaan op een Wet WIA-uitkering, daar hij op laatstgenoemde datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Bij besluit van 18 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 11 december 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


2.2.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de rapporten van de

verzekeringsartsen van het Uwv niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht, appellant heeft gezien op de hoorzitting/spreekuur en appellant lichamelijk heeft onderzocht. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in de stelling dat de

verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de

behandelende sector. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts afdoende gemotiveerd dat hij beschikte over voldoende medische gegevens om zich een juist beeld te kunnen vormen van de medische toetstand van appellant en om te komen tot een afgewogen medisch oordeel en een inschatting van de belastbaarheid van appellant.


2.3.

De rechtbank heeft voorts geen redenen gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In het bijzonder heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter het standpunt van de verzekeringsarts dat appellant niet beperkt is te achten op het aspect handelingstempo. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts informatie van de behandelende psycholoog van appellant bij de

oordeelsvorming heeft betrokken. Wat verzekeringsarts W.M. van der Boog, medisch

adviseur, daartegen heeft ingebracht, heeft de rechtbank als niet voldoende bestempeld om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.


2.4.

De rechtbank heeft zich niet kunnen verenigen met de opvatting van appellant dat hij in verband met zijn kleine postuur ten onrechte in staat is geacht om ongeveer zeventig

centimeter met gestrekte arm te reiken. Ook voor de door appellant bepleite verdergaande beperking op het aspect tillen of dragen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten aanwezig geacht.


2.5.

Ten slotte heeft de rechtbank, ervan uitgaande dat met de in de Functionele

Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 maart 2013 voor appellant vastgelegde beperkingen de

medische grondslag van het bestreden besluit als deugdelijk kan worden aangemerkt, zich ook kunnen verenigen met het standpunt van het Uwv dat appellant met ingang van de datum in geding in staat was te achten tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de functies die bij de onderhavige schatting in aanmerking zijn genomen.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat, in het bijzonder verband met

zowel zijn hartklachten als zijn - daarmee samenhangende - angstklachten en klachten van depressieve aard, hij op de datum in geding verdergaand beperkt was te achten dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Daarbij doet hij andermaal een beroep op het rapport van zijn medisch adviseur Van der Boog. Appellant meent dat deze medisch adviseur een doortimmerd rapport heeft opgesteld, dat door de rechtbank ongemotiveerd van tafel is geveegd. Appellant is van mening dat de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep steeds de hand boven het hoofd heeft gehouden en wat Van der Boog heeft aangevoerd steeds terzijde heeft geschoven.


3.2.

Appellant blijft bij zijn standpunt dat het door het Uwv opgestelde belastbaarheidspatroon, met name op de aspecten verlaagd werktempo en reiken, geen goed beeld geeft van zijn

belastbaarheid op de datum in geding. Om die reden acht hij de bij de schatting in aanmerking genomen functies te zwaar.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

In dit geding ligt in het bijzonder de vraag voor of met de FML van 20 maart 2013 in voldoende mate recht is gedaan aan de klachten en beperkingen die appellant op de datum in geding ondervindt van zijn gezondheidsproblemen. Daarbij gaat het in het bijzonder om zijn cardiale problemen en de daaruit voor hem voortvloeiende problemen op psychisch gebied, maar ook om enkele andere aspecten, zoals de voor hem mogelijk geachte reikafstand.


4.3.

Naar aanleiding van wat appellant heeft aangevoerd over de waarde die de rechtbank heeft toegekend aan het rapport van de door appellant als medisch adviseur geraadpleegde verzekeringsarts Van der Boog en het daarbij jegens de rechtbank geformuleerde verwijt, als hiervoor onder 3.1 weergegeven, overweegt de Raad dat aan rapporten, opgesteld door

verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toekomt, in die zin dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op die rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat die rapporten en het daarop gebaseerde besluit niet aantastbaar zijn. Het is aan de betrokkene om aan te voeren en aannemelijk te maken dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn dan wel dat de daarin gegeven medische beoordeling onjuist is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat

appellant niet erin geslaagd is dit aannemelijk te maken, ook niet met het herhaalde beroep op het rapport van Van der Boog.


4.4.

Met juistheid heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Raad stelt zich achter de overwegingen daarover van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel.


4.5.

Voorts wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat de rapporten van de

verzekeringsartsen naar de inhoud ervan niet onjuist zijn te achten. Daarbij geldt dat de

verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft gereageerd op de

bevindingen en conclusies van Van der Boog. Met name heeft de verzekeringsarts in het

rapport van 11 december 2013 overtuigend uiteengezet dat uit de beschikbare informatie naar voren komt dat, na de door appellant in 2011 ondergane bypassoperatie, ten tijde in dit geding van belang, geen specifieke cardiale afwijkingen meer bij hem konden worden vastgesteld. Tevens heeft de verzekeringsarts erop gewezen dat uit het schrijven van de aan I-psy

verbonden behandelend psychiater J. Oomen van 19 december 2012 naar voren komt dat na de ingestelde behandeling de angstklachten van appellant waren verminderd. Met deze reactie is genoegzaam verklaard dat ten tijde van de datum in geding, anders dan door Van der Boog wordt voorgestaan, bezien vanuit de cardiale gezondheidssituatie van appellant noch bezien vanuit zijn psychische gezondheidssituatie, aanleiding bestond om meer beperkingen aan te nemen dan is geschied. In het bijzonder bestond er ook geen aanleiding voor een beperking op het aspect handelingstempo. De door appellant benadrukte omstandigheid dat hij, naar door zijn werkgever en ook door de bedrijfsarts was opgemerkt, bij het verrichten van

werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie in een aanmerkelijk lager werktempo - dan vereist - had gewerkt, leidt bij het ontbreken van een toereikende objectief-medische

verklaring daarvoor, niet tot een ander oordeel.


4.6.

Ook wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in de zienswijze dat appellant, hoewel klein van postuur, in staat kan worden geacht ongeveer zeventig centimeter te reiken, waarbij geldt dat hij daarbij ook ongeveer vijftien centimeter mag en kan buigen.


4.7.

Ook voor het overige is appellant, ook in hoger beroep, niet erin geslaagd om aan de hand van toereikende objectief-medische gegevens aannemelijk te maken dat zijn beperkingen ten tijde van de datum in geding door de verzekeringsartsen zijn onderschat.


4.8.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, wijst de Raad nog wel erop dat de

verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 17 juni 2015 heeft opgemerkt dat de cardiale problematiek van appellant in 2015, naar kan worden afgeleid uit door appellant overgelegde informatie van de cardioloog, evident ernstiger is dan ten tijde van de datum in geding. Ook de bloedarmoede waaraan de gemachtigde van appellant refereert, was volgens de verzekeringsarts per de datum in geding nog niet aan de orde. Zoals ter zitting ter sprake is gekomen, kan appellant overwegen zich in verband daarmee met een melding

toegenomen arbeidsongeschiktheid tot het Uwv te wenden. Voor het onderhavige geding dient een eventuele na de datum in geding opgetreden verslechtering van de

gezondheidssituatie van appellant evenwel buiten beschouwing te worden gelaten.


4.9.

Tot slot wordt ook het oordeel van de rechtbank onderschreven dat appellant, gegeven de voor hem op de datum in geding van toepassing te achten beperkingen, per die datum terecht door het Uwv in staat is geacht de functies te vervullen die bij de onderhavige schatting in aanmerking zijn genomen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) L.H.J. van Haarlem




HD